Agenda 2026
In juli en augustus géén bijeenkomst
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.
Blogarchief
zaterdag 17 mei 2014
maandag 28 april 2014
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag
7 Mei om 16.30 uur
Hostellerie Rozenhof,
Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
Onderwerp:
Behandeling van parastomale breuken; op het
breukvlak van de breukchirurgie
Spreker: Dr. BiBi Hansson,
chirurg CWZ
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u
komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
donderdag 3 april 2014
donderdag 27 maart 2014
Beste leden van de VOS, Hierbij de invitatie voor onze bijeenkomst. Collega Dofferhoff is zoals u bekend internist, gespecialiseerd in infectieziekten. Het onderwerp, dat hij zal behandelen heeft zijn speciale belangstelling. Als u nog van plan bent een reis naar het (midden-)oosten, Afrika of Zuid-Amerika te maken, zal dot inderwerp ook voor u interessant zijn. Komt dus allen. Met vriendelijke groet. Roy Go
Beste leden van de VOS, Hierbij de invitatie voor onze bijeenkomst. Collega Dofferhoff is zoals u bekend internist, gespecialiseerd in infectieziekten. Het onderwerp, dat hij zal behandelen heeft zijn speciale belangstelling. Als u nog van plan bent een reis naar het (midden-)oosten, Afrika of Zuid-Amerika te maken, zal dot inderwerp ook voor u interessant zijn. Komt dus allen. Met vriendelijke groet. Roy Go
woensdag 19 februari 2014
Abstract
Van wie ben ik er één?
Dr. J.W.J. van der Stappen ,
klinisch chemicus CWZ.
dd. 7 Februari 2014.
DNA typering is onontbeerlijk voor het opsporen van familierelaties en kan een belangrijke rol spelen in de forensische diensten. Het KCL van het CWZ neemt in deze functies een belangrijke plaats in en is één van de vier forensische laboratoria in Nederland. Het onderzoek gebeurt op kernhoudende cellen in bloed(leucocyten), speeksel of wangslijmvlies, spermacellen, haarwortelcellen etc. DNA verwantschapstesten maken gebruik van zowel autosomale en als geslachtchromosomale kenmerken X (X12STR) en Y (Y11 STR). In Nederland heeft 1 op de 1000 vrouwen 3 X chromosomen, waar we dus in de praktijk soms tegen aan lopen. De relaties correleren als volgt: 1-eiige tweeling 100%, 2-eiige tweeling, broer, zus, ouder, kind 50 %, oom/tante, opa/oma 25%, neef/nicht 12,5 %. Typeren van de moeder is belangrijk, omdat dan deze eigenschappen in de test met een vader-kind vraagstelling kunnen worden geëlimineerd. Vaders (XpYp) geven hun Y chromosoom integraal door aan hun zoons en hun X-chromosoom aan hun dochters, Moeders (XmXm) geven een X door aan hun dochters (XpXm), maar ook aan hun zoons (XmYp). Bloedgroep bepalingen bij de ouders en nakomelingen kan soms ook behulpzaam zijn, omdat een vader met bloedgroep B (BB of B0) en moeder met bloedgroep A (AA of A0) wel kinderen met bloedgroep AB of 0 kunnen hebben, maar een vader met bloedgroep B en moeder met bloedgroep 0 (00) nooit kinderen met bloedgroep AB of A kunnen hebben. Behandeld wordt een vraag van een 60-jarige klant, die wilde weten of hij dezelfde vader en/of moe-der had als zijn nichten, waarvan de moeder een zus was van zijn (pleeg-) moeder. Aangetoond kon worden, dat de klant alle X-kenmerken had van zijn nichten. Het was dus zeer waarschijnlijk, dat zij dezelfde moeder hadden. De ouders van klant en de nichten waren overleden, maar vergelijking met de broer van de vader van de nichten gaf geen match, dus klant had niet dezelfde vader. Y-testen van twee broers van zijn vader gaven geen match met hem, dus ook zijn veronderstelde vader was zijn echte vader niet. Veel signalen uit de familie wezen in de richting van incest. Inderdaad had de klant veel homozygote kenmerken 8 VD 15. Dit is een sterke aanwijzing voor incest. De stelling is nu, dat een van de broers van zijn moeder incest met zijn zuster heeft gepleegd en dat de klant als kind werd ondergebracht in het gezin van een zuster van de moeder. Echter leverde Y onderzoek van 2 neven van moeder ( zoons van 2 broers ) geen match met de klant op. Familieleden, die het zouden kunnen weten zwijgen als het graf. Verder onderzoek van andere broers is nog mogelijk, maar het grote aantal onderzoeken hiervoor nodig, is kostbaar ( € 100 per test) en moet door klant zelf worden betaald. De inleider meldt nog, dat in samenwerking met het CWZ de FIOM data bank is opgezet, een natio-nale donor en donorkinderen DNA-databank die de gegevens opslaat van kinderen , die voor 2004 zijn verwekt via anonieme semendonatie. Zo is er een donor, die 30 jaar lang gedoneerd heeft op drie locaties. De databank bevat inmiddels bijna 600 inschrijvingen met wereldwijd de meeste matches. 40 kinderen hebben inmiddels hun donor gevonden; het aantal broers en zusters is tot nu toe > 60. Inmiddels is donatie aan regels gebonden en is het aantal donoren sterk terug gelopen door de opheffing van anonimiteit. Recent was er een donor dragerschap voor taaislijm ziekte waarbij duidelijk werd dat het veelvuldig gebruik van 1 donor ook medische risico’s met zich meebrengt.
Van wie ben ik er één?
Dr. J.W.J. van der Stappen ,
klinisch chemicus CWZ.
dd. 7 Februari 2014.
DNA typering is onontbeerlijk voor het opsporen van familierelaties en kan een belangrijke rol spelen in de forensische diensten. Het KCL van het CWZ neemt in deze functies een belangrijke plaats in en is één van de vier forensische laboratoria in Nederland. Het onderzoek gebeurt op kernhoudende cellen in bloed(leucocyten), speeksel of wangslijmvlies, spermacellen, haarwortelcellen etc. DNA verwantschapstesten maken gebruik van zowel autosomale en als geslachtchromosomale kenmerken X (X12STR) en Y (Y11 STR). In Nederland heeft 1 op de 1000 vrouwen 3 X chromosomen, waar we dus in de praktijk soms tegen aan lopen. De relaties correleren als volgt: 1-eiige tweeling 100%, 2-eiige tweeling, broer, zus, ouder, kind 50 %, oom/tante, opa/oma 25%, neef/nicht 12,5 %. Typeren van de moeder is belangrijk, omdat dan deze eigenschappen in de test met een vader-kind vraagstelling kunnen worden geëlimineerd. Vaders (XpYp) geven hun Y chromosoom integraal door aan hun zoons en hun X-chromosoom aan hun dochters, Moeders (XmXm) geven een X door aan hun dochters (XpXm), maar ook aan hun zoons (XmYp). Bloedgroep bepalingen bij de ouders en nakomelingen kan soms ook behulpzaam zijn, omdat een vader met bloedgroep B (BB of B0) en moeder met bloedgroep A (AA of A0) wel kinderen met bloedgroep AB of 0 kunnen hebben, maar een vader met bloedgroep B en moeder met bloedgroep 0 (00) nooit kinderen met bloedgroep AB of A kunnen hebben. Behandeld wordt een vraag van een 60-jarige klant, die wilde weten of hij dezelfde vader en/of moe-der had als zijn nichten, waarvan de moeder een zus was van zijn (pleeg-) moeder. Aangetoond kon worden, dat de klant alle X-kenmerken had van zijn nichten. Het was dus zeer waarschijnlijk, dat zij dezelfde moeder hadden. De ouders van klant en de nichten waren overleden, maar vergelijking met de broer van de vader van de nichten gaf geen match, dus klant had niet dezelfde vader. Y-testen van twee broers van zijn vader gaven geen match met hem, dus ook zijn veronderstelde vader was zijn echte vader niet. Veel signalen uit de familie wezen in de richting van incest. Inderdaad had de klant veel homozygote kenmerken 8 VD 15. Dit is een sterke aanwijzing voor incest. De stelling is nu, dat een van de broers van zijn moeder incest met zijn zuster heeft gepleegd en dat de klant als kind werd ondergebracht in het gezin van een zuster van de moeder. Echter leverde Y onderzoek van 2 neven van moeder ( zoons van 2 broers ) geen match met de klant op. Familieleden, die het zouden kunnen weten zwijgen als het graf. Verder onderzoek van andere broers is nog mogelijk, maar het grote aantal onderzoeken hiervoor nodig, is kostbaar ( € 100 per test) en moet door klant zelf worden betaald. De inleider meldt nog, dat in samenwerking met het CWZ de FIOM data bank is opgezet, een natio-nale donor en donorkinderen DNA-databank die de gegevens opslaat van kinderen , die voor 2004 zijn verwekt via anonieme semendonatie. Zo is er een donor, die 30 jaar lang gedoneerd heeft op drie locaties. De databank bevat inmiddels bijna 600 inschrijvingen met wereldwijd de meeste matches. 40 kinderen hebben inmiddels hun donor gevonden; het aantal broers en zusters is tot nu toe > 60. Inmiddels is donatie aan regels gebonden en is het aantal donoren sterk terug gelopen door de opheffing van anonimiteit. Recent was er een donor dragerschap voor taaislijm ziekte waarbij duidelijk werd dat het veelvuldig gebruik van 1 donor ook medische risico’s met zich meebrengt.
vrijdag 7 februari 2014
donderdag 30 januari 2014
Nijmegen, 26 -01-- 2014
Geachte collegae, Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst opWoensdag 5 februari om 16.30 uur Hostellerie Rozenhof,
Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359Onderwerp:
Van wie ben ik er één? (een spannende detective met een speurtocht van 2 jaar! Aangevuld met actuele informatie over een DNAdata base van donor kinderen)
Spreker: Dr. J.W.J. van der Stappen
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Nijmegen, 26 -01-- 2014
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 5 februari om 16.30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
Onderwerp: Van wie ben ik er één?
(een spannende detective met een speurtocht van 2 jaar! Aangevuld met actuele informatie over een DNAdata base van donor kinderen)
Spreker: Dr. J.W.J. van der Stappen
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
maandag 18 november 2013
Abstract PORTRETTEN, PRENTEN EN FRONTPAGINA’S
VAN ACADEMISCHE MEDICI IN D 17DE EEUW. dr. H.W.O. Deleu. 9 November
2013
Wij
belichten het verschijnen en de betekenis van de academische medische confrère in de zeventiende eeuw
aan de hand van zijn presentatie in de kunst van die tijd. In een bijna sacrale
sfeer van de aula of Senaatskamer wordt een protocollair gedirigeerd academisch
steekspel (of spektakel?) opgevoerd tussen oudmodisch ‘gekostumeerde’
hooggeleerde opponenten in toga en baret en de promovendus. Deze laatste voegt
met zijn proeve van academische bekwaamheid enerzijds grandeur toe aan de hoogstaande kwaliteit van het academische
bestel. Anderzijds beoogt het feestelijk spel ook een garantie te geven voor
het behoud van dit niveau in de toekomst. De grotendeels toch ceremoniële
gebeurtenis verbindt een intellectueel verleden met de toekomst: er is een
samenspel van jonge én rijpe intelligentsia in discussie over een
wetenschappelijk item.
De
universiteit, een universitas magistrorum
et scholarium (gemeenschap van meesters en scholieren die na de Latijnse
school of het Athenaeum Illustre via verdere studie een hogere graad halen),
creëert een in de beeldkunst zichtbare noblesse
de robe met aristocratisch elitaire gedragingen en leefwijze.
Bij
een wandeling langs Senaatskamers van Nederlandse universiteiten valt dadelijk
op dat de medische magistri in de
zeventiende eeuw veruit in de minderheid zijn. Een telling zou wellicht
aantonen dat theologen, rechtsgeleerden, letterkundigen en filosofen, alsmede
wis- en natuurkundigen in groter aantal dan medici figureren op de muren. De
impact van hun medische kennis in het sociale en economische milieu van de
zeventiende eeuw is uiteraard vele malen kleiner dan de inbreng van eerstgenoemde groepen
academici.
Algemeen
valt bij de studie van de officiële
portretten van academische medici de
grote eenvormigheid van compositie op. Men kan zelfs spreken van monotonie. Er
zijn slechts enkele uitzonderingen met een levendige en fantasievolle
portrettering.
Hoewel het aantal onderzochte
officiële portretten gering is, bestaat toch
de neiging om een rechts aanziend portret als de meest voorkomende optie te duiden bij een Senaatskamerportret
waarbij de geleerde een zekere distinctie,
distantie en autoriteit wil uitdrukken. Bij meer ‘gemoedelijke’
portretten uit de privé sfeer is een links aanzien eerder de regel. De studie
toont bij twintig personen geen enkel relevant attribuut. Zeer zeldzaam vindt
men op het Senaatskamerportret een wapenschild of een ander genealogisch
embleem weergegeven.
Een medisch instrument vindt
men – afgezien van de anatomische lessen
– bij Solingen en bij Bidloo. Deze laatste is de enige met een mes dat hij
geopend in de richting van de beschouwer toont!
Het klassieke doceergebaar
voor een magister treft men slechts
vier maal aan bij: bij Schuyl, Dekkers, Tulp en bij Solingen, die geen
hoogleraar was.
Tenslotte valt de onderlinge uitwisselbaarheid op van
schilderijen van één persoon. Zo is de pose voor het officiële portret van van
Diemerbroeck (Univ. Utrecht) ook
gebruikt voor twee prenten van hem.
Enkele portretten uit Leiden
en uit Amsterdam vallen op door een harmonische compositie en kleur-stelling,
alsmede door de inbreng van inventieve details. De schilders uit het Westen van
het land die deze portretten schilderden in die periode, behoren duidelijk tot
een hoger niveau dan elders in de Republiek. Daar was een monotone
beeldcompositie de regel..
In Franeker en Harderwijk
lagen de prioriteiten bij het portretteren van theologen, juristen en filosofen
hoger dan voor dokters en lijkensnijders.
Het hoogleraarportret, bedoeld voor de
Senaatskamer is een eerder afstandelijke zakelijke transactie geweest tussen de
curatoren van een universiteit en de schilder. Het feit dat in 1735-37 én in
1964 als het ware een achterstand is ingelopen door ofwel portretten te
verzamelen via de erven van een hoogleraar, of door vanuit beschikbare prenten
alsnog een schilderij te laten maken, onderstreept dit nog. Men wilde vooral
voor latere generaties een tastbare beeltenis van de vroegere
geleerden hebben. Deze clarissimi
viri strekken de universiteit tot eer en fungeren ter zelfdertijd als
educatieve relieken voor een jongere generatie geleerden en aankomende
wetenschappers die de Senaatkamer
betreden:
De oude garde als een lichtend voorbeeld
voor de toekomst! De grafische prent
en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappe-lijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in
wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice. Beide kunstvormen zijn met elkaar verweven via de
boekdrukkunst die om commerciële reden of uit esthetisch oogpunt de geleerde
samen met zijn geestesarbeid in de zeventiende eeuwse werkkamer, huiskamer of
salon brengt.
De grafische prent en de
titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappelijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke
arbeid via een prent of een frontispice.
De grafische portretprent
staat nog dicht bij het embleem vanuit de renaissance.
Bij
voorpagina-prenten van medici wordt de centrale afbeelding vaak geschraagd door
anato-mische of botanische attributen.
Soms heeft men te maken met omvangrijke,
kunstig in elkaar gevlochten afbeeldingen met een diepere symbolische,
mythologische of Bijbelse en beroepsgebonden betekenis. Maniëristisch
uitgewerkte allegorieën verraden een voortbouwen op de bekende portretcycli uit
de Renaissance. De attributen die besproken zijn, verwijzen veelal naar het
medisch-anatomisch of botanische vak: een mes of andere anatomische
instrumenten, een meetapparaat, een skelet of delen ervan, een spierman, een
klisteerspuit, allerlei bloemen, planten en zaden alsmede de hoorn des
overvloeds. In veel titelpagina’s ziet men allegorische, mythologische
verwijzingen, vaak toch naar de klassieke medische wereld: Apollo als god van
de geneeskunde, Asklepios en dochter Hygieia (gezondheid), Dioscurides en
lauwerkransen en lauriertakken. Deze verwijzingen naar de klassieke fundamenten
van de geneeskunde beogen bij de lezer de soliditeit en het waarheidsgehalte
van de teksten te onderstrepen. De aanwezigheid van een menselijk lijk op de
titelpagina onderstreept mijns inziens ook een garantie aan de lezer dat de
inhoud gaat over menselijke anatomie. Renaissance.
Aan het eind van de zeventiende eeuw neigt de
persoonsverheerlijking op de prenten af te nemen, waarbij tevens het
overvloedige bijwerk iets minder
uitvoerig en eenvoudiger wordt.
Aangegeven
wordt tenslotte, dat er nog tot ver in de zeventiende eeuw een soms hardnekkige
strijd bestond tussen die geleerden die Hippocrates en Galenus trouw bleven en
zij die progressieve nieuwe wegen wilden bewandelen.
In de discussie wordt
duidelijk dat de geneeskundige zorg voor de patiënt voornamelijk werd
uitge-voerd door de barbiers. De medische magistri beperkten zich tot
wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en een enkel consult.
Dr. Herman O.W. Deleu
vrijdag 25 oktober 2013
De Hollandse Hippocrates
Abstract De Hollandse Hippocrates,
dr. F. Werner, 1 Oktober 2014
Pieter van Foreest 1521-1597.
Zijn grafschrift wordt in 1645 in de Kronyck van Alkmaar als volgt vermeld: "Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het".
1521 geboren in Alkmaar, volgde hij in 1529 de Latijnse school.
1536-1539 studie medicijnen in Leuven.
1540-1543 studie en praktijk in Bologna.
1543 Promotie tot doctor medicinae op een discussie over klassieke geschriften van Galenus en Hippocrates.
1544-1546 verzamelen van kruiden in Rome, Parijs en en praktijk in Pithiviers.
1546-1557 Praktijk in Alkmaar.
1557-1595 Stadsgeneesheer in Delft, waar hij de pestepidemie bestreed. In de epidemie overleden 6500 van de 25.000 inwoners. De toenmalige geneeskunde zag ziekte als een toestand, die niet overeenstemt met de natuur. De menging van de levensvloeistoffen bloed, gal, water en slijm bepaalt het temperament. Behandeling berust op het tegengaan van onevenwichtigheid van kwaliteiten en humoren. Er was dus geen standaardbehandeling. Beoordeeld moesten worden het huidige en het natuurlijke temperament en de huidige en vroegere levenswijzen. Altijd moest een patiënt in diens eigen omgeving worden beoordeeld. Eerst moesten leefregels, daarna medicatie en daarna pas eventueel chirurgie worden geadviseerd. Hij publiceerde: 1300 ziektegeschiedenissen in 42 boeken, na zijn dood in 1609 gebundeld en uitgegeven als Opera Omnia. Ruim twee eeuwen behoorde dit werk, ook volgens Boerhave in 1729, tot de canon van de medische literatuur. Het bevatte ook 290 literatuurverwijzingen, een voor die tijd een enorm aantal Taak van de stadsgeneesheer: - Behandeling van zieken met onvoldoende middelen. - Adviseren van de overheid door oa. toezicht op apotheken, opleiding van chirurgijnen, toezicht op het waterpeil van de grachten. - contrôle op onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. - voeren van de particuliere praktijk. Contacten met de Prins van Oranje:
1574 Eerste consult in Rotterdam,
10/7/1584 Met Cornelis Buzennius: Sectie en balseming van het stoffelijk overschot . Hij was geen lijfarts van de prins, omdat hij dan zijn functie als stadsgeneesheer van Delft moest opgeven.
8-2-1575 Opening van de Leidse Universiteit waar hij benoemd werd tot doctor en professor in de medicijnen.
1595 Terug naar Alkmaar. Vrouw en 4 kinderen waren inmiddels overleden. Hij werd geroemd als arts in de traditei van Hippocrates: humaan, zorgvuldig en bescheiden.
dr. F. Werner, 1 Oktober 2014
Pieter van Foreest 1521-1597.
Zijn grafschrift wordt in 1645 in de Kronyck van Alkmaar als volgt vermeld: "Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het".
1521 geboren in Alkmaar, volgde hij in 1529 de Latijnse school.
1536-1539 studie medicijnen in Leuven.
1540-1543 studie en praktijk in Bologna.
1543 Promotie tot doctor medicinae op een discussie over klassieke geschriften van Galenus en Hippocrates.
1544-1546 verzamelen van kruiden in Rome, Parijs en en praktijk in Pithiviers.
1546-1557 Praktijk in Alkmaar.
1557-1595 Stadsgeneesheer in Delft, waar hij de pestepidemie bestreed. In de epidemie overleden 6500 van de 25.000 inwoners. De toenmalige geneeskunde zag ziekte als een toestand, die niet overeenstemt met de natuur. De menging van de levensvloeistoffen bloed, gal, water en slijm bepaalt het temperament. Behandeling berust op het tegengaan van onevenwichtigheid van kwaliteiten en humoren. Er was dus geen standaardbehandeling. Beoordeeld moesten worden het huidige en het natuurlijke temperament en de huidige en vroegere levenswijzen. Altijd moest een patiënt in diens eigen omgeving worden beoordeeld. Eerst moesten leefregels, daarna medicatie en daarna pas eventueel chirurgie worden geadviseerd. Hij publiceerde: 1300 ziektegeschiedenissen in 42 boeken, na zijn dood in 1609 gebundeld en uitgegeven als Opera Omnia. Ruim twee eeuwen behoorde dit werk, ook volgens Boerhave in 1729, tot de canon van de medische literatuur. Het bevatte ook 290 literatuurverwijzingen, een voor die tijd een enorm aantal Taak van de stadsgeneesheer: - Behandeling van zieken met onvoldoende middelen. - Adviseren van de overheid door oa. toezicht op apotheken, opleiding van chirurgijnen, toezicht op het waterpeil van de grachten. - contrôle op onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. - voeren van de particuliere praktijk. Contacten met de Prins van Oranje:
1574 Eerste consult in Rotterdam,
10/7/1584 Met Cornelis Buzennius: Sectie en balseming van het stoffelijk overschot . Hij was geen lijfarts van de prins, omdat hij dan zijn functie als stadsgeneesheer van Delft moest opgeven.
8-2-1575 Opening van de Leidse Universiteit waar hij benoemd werd tot doctor en professor in de medicijnen.
1595 Terug naar Alkmaar. Vrouw en 4 kinderen waren inmiddels overleden. Hij werd geroemd als arts in de traditei van Hippocrates: humaan, zorgvuldig en bescheiden.
https://docs.google.com/viewer?attid=0.1&pid=gmail&thid=141ef7074e98466e&url=https%3A%2F%2Fmail.google.com%2Fmail%2Fu%2F0%2F%3Fui%3D2%26ik%3D1739f76adc%26view%3Datt%26th%3D141ef7074e98466e%26attid%3D0.1%26disp%3Dsafe%26zw&docid=aab7d1dea833cd28ae9b1544a9918665%7Cb3ab78e79ea31bbb9c727d33070c87c0&a=bi&pagenumber=1&w=800
maandag 21 oktober 2013
De ouder wordende huid
Abstract De ouder wordende huid. J.A.C. Alkemade, L.H. van Bergen, dermatologen 2 -10-2013
Fysiologie: De ouder wordende huid kenmerkt zich door verminderde talgproductie (drogere huid en craquelé), elastinedegeneratie (actinische schade) en atrofie (dermatitis). Bestrijding van deze schade kan met: locaal corticoid of teerzalf; goede keuze van de zalf of crême basis, die vet moet zijn; onderhouds-behandeling. De vette basis bestaat bijvoorbeeld uit cetomacrogol, vaseline, eucerine of calmurid (een ureumhoudende crême). Heel goed is om de natte huid na het douchen in te smeren met (niet te) vette douchegel. Benigne afwijkingen : seniele bruine vlekken of plaques. Deze kunnen ook donkerbruin of zwart zijn (angioma senilis, verruca seborrhoica) en kunnen soms met de nagel afgekrabd worden. Therapie: cryotherapie met vloeibare stikstof (geen littekenvorming), electrocoagulatie, shave-excisie, ponsbiopt (littekens!) . De laatste twee maken histologie mogelijk.
(Pre-)maligne afwijkingen: BasaalcelCa (70%), PlaveiselcelCa ( 17%), melanoom (11%).
Premaligne zijn actinische keratosen. Dit zijn voorlopers van plaveiselcelca. Worden vaak miskend als bijvoorbeeld seborrhoisch eczeem en komen zeer vaak op de aan zon blootgestelde huid voor. De diagnose kan het best gesteld worden door te voelen: ruw en hard oppervlak. Therapie: cryotherapie, tretinocrême 0,02-0.05%, Imiquinoid crême (Aldara), Photodynamische therapie (PDT, werkt overigens niet zoals gezegd werd met ongecontroleerde necrose via blaarvorming maar via door fotosensitizers en licht veroorzaakte radicaalvorming met geprogrammeerde celdood de ‘apoptose’), Efendix crême (5FU)→ in het begin lelijk aspect 3 à 4 weken smeren, Picato crême: 2-5 dagen smeren geeft al na 2 weken een mooi resultaat.
BasaalcelCa: Metastaseert bijna nooit. is nodulair, soms sprieterig, gepigmenteerd. 80% in hoofd/hals regio; 40-50 % is gepigmenteerd. Bij 40-50% treedt binnen 5 jaar een volgend BCC op. Risicofactoren: Man 1-1,5x, hoge leeftijd 1-1,4x, blauw-groene ogen 1,2-1,4x, lichte huidskleur 2,3-2,7x, verleden met BCC 17,4x, Xeroderma Pigmentosum >10.000, immuuntherapie (transplantatie-patiënten!) 6,6-21x. Aspect: glanzende rand, vaak gepigmenteerd. Behandeling: Imiquinoidcrême (Aldara), Excisie met Mohs’ micorografische chirurgie (tumor plat slaan, waardoor het hele snijvlak beoordeeld kan worden op aan-/of afwezigheid van tumorcellen, Radiotherapie bij ouderen.
Plaveiselcelca: ontstaat vaak uit actinische keratose en bij immunotherapie.
Wondgenezing bij ouderen : genezen traag, atrofie maakt hechten moeilijk, daarom denken aan genezing per secundam.
vrijdag 4 oktober 2013
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 2 Oktober
om 16. 30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114,
tel. 3230359
16u30 borrel
!7u00 Voordracht
Onderwerp: De ouder wordende huid.
Sprekers: L.H. van Bergen en dr. J.A.C. Alkemade, dermatologen CWZ
Menu: Ruime keuze uit
de menukaart à € 19,50 pp.
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u
komt en of u deelneemt aan de maaltijd na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
donderdag 25 juli 2013
ZOMERBORREL EN DINER
woensdag 7 augustus 2013 , 17.00 uur
Hostellerie "Rozenhof "
We starten met een amuse (aangeboden door de VOMS)
Daarna serveren we een hoofdgerecht € 19,50 p.p.
Op tafels zetten we aardappelgarnituren en frietjes.
Op tafels zetten we aardappelgarnituren en frietjes.
Uw gasten kunnen kiezen uit de volgende hoofdgerechten:
Tarbotfilet
met tuinkruidensaus
of
Wilde gamba`s
met kreeftensaus
of
Kalfsoester
met cognacsaus
of
“Poulet Noir”
Franse marktkip met saus van kardemom
of
Entrecôte
van de grill met kruidenboter
of
Saffraanrisotto *
Champignons, gepocheerd ei en vers geraspte Parmezaanse kaas
Tijdens de borrel en het diner schenken we onze huiswijnen.
De Hostellerie Rozenhof.
donderdag 6 juni 2013
Abstract De Nederlandse bijdrage aan de Ontwikkeling
van de Neurochirurgie in Indonesië
door
A.Keijser, Sajid Darmadipura, J.A.N. van der Spek.
1 mei 2013
Drie vragen worden besproken :
-
Hoe zijn de Nederlanders in Indonesië gekomen?
- Hoe is de ontwikkeling van de Gezondheidszorg in Indonesië
geweest?
- Hoe is de neurochirurgie in Indonesië tot stand gekomen?
De Nederlanders zijn
met Cornelis de Houtman (1565-1599) voor het eerst in 1596 naar Indië ge-gaan,
omdat zij door een blokkade van
Lissabon door Philips II, aldaar geen
specerijen meer konden kopen van de Portugezen, die al lang in het Oosten van
Indië hun contacten hadden. De VOC werd opgericht in 1602 met een hoofdkantoor
in Amsterdam en kreeg een octrooi op de specerijenhandel als staatsbedrijf. Vanaf
die tijd vestigde zich de VOC in Indië waar de Portugezen werden verdrongen .
Toen In 1798 de VOC failliet ging werd het bewind daar overgenomen door de Bataafse Republiek en vervolgens
later , in 1813, door het Koninkrijk der Nederlanden.
De gezondheidszorg vond
in Indië op 3 niveaus plaats: de Indonesische geneeskunde werd beoefend door kruidendokters
(Doekoens),m.b.v. massage en bezweringen, door Chinese artsen met diag-nostiek
door voelen van de pols en behandeling met kruiden en acupunctuur en door de
Europese chirurgijns, die aanvankelijk als scheepschirurgijn meekwamen, maar
later ook verbonden waren aan de versterkte plaatsen van de VOC. Echte doctores
medicinae kwamen zelden naar Indië. Een
uitzon-dering was Jacob Bontius die in
de 17de eeuw een zestal jaren daar verbleef en ook een
geneeskun-dige verhandeling schreef. Wouter Schouten monsterde in 1658 als chirurgijn aan op een schip van de VOC. Terug in Haarlem schreef hij later op grond van zijn
ervaringen een uitgebreide verhande-ling over traumatische
schedel-hersenletsels. Later werden de
chirurgijns vervangen door officieren van gezondheid, opgeleid op de
Rijkskweekschool voor Militaire geneeskunde, eerst in Leiden, later in
Amsterdam. Inmiddels was in 1830 het KNIL opgericht. Er was weinig aandacht
voor de gezond-heidszorg voor de inlandse bevolking totdat in de 19de
eeuw omvangrijke epidemieën de noodzaak daarvan duidelijk maakten. In 1850 werden er in Nederlandsch Oost Indië de volgende aantallen gezondheidswerkers
geteld; 11.421 doekoens, 268 chinese
artsen, 128 militaire officieren van Ge-zondheid en 29 civiele artsen. Willem
Bosch (1818-1854), kolonel arts en hoofd van de Militair Ge-neeskundige Dienst,organiseerde in 1850 een opleiding voor inlandse
vaccinateurs en inlandse ge-neeskundigen( dokter Djawa), die Indonesisch
gekleed dienden te blijven en zo een brug konden vor-men naar de inlandse
bevolking, die argwanend stond t.o.v. de Westerse Geneeskunde. Er waren in die
tijd 3 grotere militaire hospitalen , n.l. in Batavia, Semarang en Surabaja. De
opleiding van de inlandse
geneeskundigen vond plaats in het Militair Hospitaal in Weltevreden met
Officieren van Gezondheid als leraren. De duur van de opleiding was
aanvankelijk 2 jaar, later 5, en uiteindelijk 7 jaar. De uitbreiding van het medische onderwijs ging gestaag:1853 de
Dokter Djawa school: rond 1900 de
STOVIA ( School tot Opleiding van Inlandse Artsen), 1920 de Centrale
Burgerlijke Zieken-inrichting ( nu Academisch ziekenhuis), met daarnaast het
nieuwe STOVIA gebouw dat in 1927 tot Geneeskundige Hoogeschool word
getransformeerd , en nu sinds 1950 de
faculteit voor Genees-kunde huisvest.
Het Eijkman Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Bacteriologie,op
het-zelfde terrein, functioneert ook nu
nog, zij het met een andere taakstelling.
In 1913 werd in Soerabaya de NIAS (Ned.Indische Artsen School )
opgericht met eenzelfde doelstel-ling als de Stovia in Batavia. Ook deze
instelling heeft zich tot medische faculteit ontwikkeld ( van de Airlangga
Universiteit) (onze co-auteur Sajid is
hier na zijn emeritaat als hoogleraar neurochirurgie, ook nu nog actief als
leerstoelhouder in de Medische Ethiek). Het CBZ van Surabaya , dat oorspron-kelijk gelegen was op Simpang, werd later verplaatst en heet thans
het Akademisch Dr. Sutomo ziekenhuis. Nadat sinds 1906 er subsidiemogelijkheden
ontstonden ter ondersteuning van het stichten van particuliere (lees: missie en
zendings-) ziekenhuizen, is het aantal ziekenhuizen dat ook ter beschikking van
de Inlandse bevolking stond aanzienlijk
toegenomen. Ook de aan onderneming-en (zoals plantages ) verbonden ziekenhuizen
mogen niet onvermeld blijven. Gedurende
de Japanse bezetting van 1942 – 1945
werd het leeuwendeel van de geneeskundige zorg verricht door
Indone-sisch medisch personeel, vaak onder leiding van Japanners.
Op 17-8-1945 volgde de
onafhankelijkheids verklaring van Indonesië door Sukarno en Hatta. De
neuropsychiater Van Wulfften Palthe die vanaf 1930 in Batavia als zenuwarts had gewerkt, en C.H. van Lenshoek, die zelf geboren was
in Semarang en als neurochirurg in Amsterdam werkte, maakten in 1945 een plan
om te voorzien in neurochirurgische zorg
in Indonesië. In Nederland had de neuro-loog Brouwer in 1929 de
neurochirurgie geïntroduceerd in Amsterdam. In het Prinses Margriet Hos-pitaal
te Batavia /Jakarta werd in 1948 een neurochirurgische afdeling opgericht. Binnen de Neuro-chirurgische Studie Club
werd door de daar vergaderde Nederlandse neurochirurgen besloten dat van de tot
dan toe in Nederland opgeleide
neurochirurgen er bij
toerbeurt steeds 1 neurochirurg
6 maanden naar Indonesië zou gaan,om daar te voorzien in de neurochirurgische
zorg. Deze voor-ziening heeft van 1948 tot en met 1953 ( dus ook na de
soevereiniteitsoverdracht op 27
December 1949) goed voldaan. Verder werd
er een afspraak gemaakt om intussen Indonesische artsen in Nederland op
te leiden tot neurochirurg, zodat die nadien deze taak op zich zouden kunnen
nemen.
De eerste Indonesische arts die werd opgeleid was Handoyo
die van 1948 tot 1952 werd opgeleid door Dr Arnold de Vet In de St. Ursula
Kliniek te Wassenaar, en die in 1953 als eerste Indonesische neurochirurg te
Jakarta ging werken. Van 1954 tot 1958 werd
Basoeki Wirdjowidjojo opgeleid door Sjel de Grood In het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg.
Dr Basoeki werd vervolgens de eerste neuro-chirurg, die in Surabaya de
neurochirurgie voor Oost Indonesië zou gaan ontwikkelen. Tussen 1962 en 1969
werden In Groningen in het Algemeen Provinciaals, Stads en Academisch
Ziekenhuis door Lenshoek , en later door Jan Beks, drie Indonesische
neurochirurgen opgeleid; Oen , Gwan Go, en Padmosantjojo. Van deze drie is
alleen Padmosantjojo naar Indonesië terug gekeerd waar hij in Jakarta ging
werken. In het Neurochirurgische Centrum Nijmegen werden o.l.v. Fons Walder
vier neurochirurgen voor Indonesie opgeleid ; Sajid Darmadipura (1971 – 1975)
,Umar Kasan (1975 – 1979) , Hafid Bajamal (1979 – 1983), en Paulus Sudiharto,
die in 1979 een stage van één jaar liep als aanvulling op zijn opleiding door
Handoyo in Jakarta. Nadat de Ursula Kliniek te Wassenaar verhuisd was naar de
Westeinde Kliniek te Den Haag kwam daar van 1981 -1982 Abdul Gofar
Sastrodiningrat , die bij Iskarno was opgeleid in Bandung, voor een stage van
een jaar bij Martin van Duinen. In 1989 liep Endro Basuki Sadjiman een stage
van één jaar bij Guus van Alphen in het Academisch Ziekenhuis van de Vrije
Universiteit te Amsterdam.
Naast deze negen neurochirurgen die na hun terugkeer
naar Indonesië de neurochirurgie in hun
vaderland verder hebben ontwikkeld, werden nog vijf Indonesische neurochirurgen
opgeleid , die , tegen de bedoeling in , na hun opleiding in Nederland bleven;
Karel Lie (Tilburg), Indra Tjaha (Slotervaart Amsterdam);Gwan Go (Groningen);Oen
(Groningen); Gjap Tan (Neuroradiologie Tilburg).
Sinds 1984 bestaat er een Indonesische Neurochirurgische
Vereniging en worden de neurochirurgen
in Indonesië zelf opgeleid. Na hun basisopleiding wordt er veelvuldig gebruik
gemaakt van buiten-landse stages en fellowships voor het verwerven van de
modernste vaardigheden en technieken. Er zijn Inmiddels in Indonesië vier
erkende neurochirurgische opleidingscentra centra; Jakarta, Surabaja, Bandung en Medan.
Er zijn nu 174
neurochirurgen werkzaam in Indonesië in 32 steden verdeeld over de gehele
archipel; desondanks bestaat er nog steeds een onderbezetting: 1 neurochirurg
op 1.400.000 inwoners ( in Nl 1/141.800). Sinds 1990 is er jaarlijks een
nascholingscursus van de Dutch Foundation for post-graduate Medical Courses in
Indonesia, waarvoor het initiatief in 1986 werd genomen door Prins Claus en de
Groningse neurochirurg Jan Beks.
I.H. Go,
notulist. / A.Keyser
Abstract De Nederlandse bijdrage aan de Ontwikkeling
van de Neurochirurgie in Indonesië
door
A.Keijser, Sajid Darmadipura, J.A.N. van der Spek.
1 mei 2013
Drie vragen worden besproken :
-
Hoe zijn de Nederlanders in Indonesië gekomen?
- Hoe is de ontwikkeling van de Gezondheidszorg in Indonesië
geweest?
- Hoe is de neurochirurgie in Indonesië tot stand gekomen?
De Nederlanders zijn
met Cornelis de Houtman (1565-1599) voor het eerst in 1596 naar Indië ge-gaan,
omdat zij door een blokkade van
Lissabon door Philips II, aldaar geen
specerijen meer konden kopen van de Portugezen, die al lang in het Oosten van
Indië hun contacten hadden. De VOC werd opgericht in 1602 met een hoofdkantoor
in Amsterdam en kreeg een octrooi op de specerijenhandel als staatsbedrijf. Vanaf
die tijd vestigde zich de VOC in Indië waar de Portugezen werden verdrongen .
Toen In 1798 de VOC failliet ging werd het bewind daar overgenomen door de Bataafse Republiek en vervolgens
later , in 1813, door het Koninkrijk der Nederlanden.
De gezondheidszorg vond
in Indië op 3 niveaus plaats: de Indonesische geneeskunde werd beoefend door kruidendokters
(Doekoens),m.b.v. massage en bezweringen, door Chinese artsen met diag-nostiek
door voelen van de pols en behandeling met kruiden en acupunctuur en door de
Europese chirurgijns, die aanvankelijk als scheepschirurgijn meekwamen, maar
later ook verbonden waren aan de versterkte plaatsen van de VOC. Echte doctores
medicinae kwamen zelden naar Indië. Een
uitzon-dering was Jacob Bontius die in
de 17de eeuw een zestal jaren daar verbleef en ook een
geneeskun-dige verhandeling schreef. Wouter Schouten monsterde in 1658 als chirurgijn aan op een schip van de VOC. Terug in Haarlem schreef hij later op grond van zijn
ervaringen een uitgebreide verhande-ling over traumatische
schedel-hersenletsels. Later werden de
chirurgijns vervangen door officieren van gezondheid, opgeleid op de
Rijkskweekschool voor Militaire geneeskunde, eerst in Leiden, later in
Amsterdam. Inmiddels was in 1830 het KNIL opgericht. Er was weinig aandacht
voor de gezond-heidszorg voor de inlandse bevolking totdat in de 19de
eeuw omvangrijke epidemieën de noodzaak daarvan duidelijk maakten. In 1850 werden er in Nederlandsch Oost Indië de volgende aantallen gezondheidswerkers
geteld; 11.421 doekoens, 268 chinese
artsen, 128 militaire officieren van Ge-zondheid en 29 civiele artsen. Willem
Bosch (1818-1854), kolonel arts en hoofd van de Militair Ge-neeskundige Dienst,organiseerde in 1850 een opleiding voor inlandse
vaccinateurs en inlandse ge-neeskundigen( dokter Djawa), die Indonesisch
gekleed dienden te blijven en zo een brug konden vor-men naar de inlandse
bevolking, die argwanend stond t.o.v. de Westerse Geneeskunde. Er waren in die
tijd 3 grotere militaire hospitalen , n.l. in Batavia, Semarang en Surabaja. De
opleiding van de inlandse
geneeskundigen vond plaats in het Militair Hospitaal in Weltevreden met
Officieren van Gezondheid als leraren. De duur van de opleiding was
aanvankelijk 2 jaar, later 5, en uiteindelijk 7 jaar. De uitbreiding van het medische onderwijs ging gestaag:1853 de
Dokter Djawa school: rond 1900 de
STOVIA ( School tot Opleiding van Inlandse Artsen), 1920 de Centrale
Burgerlijke Zieken-inrichting ( nu Academisch ziekenhuis), met daarnaast het
nieuwe STOVIA gebouw dat in 1927 tot Geneeskundige Hoogeschool word
getransformeerd , en nu sinds 1950 de
faculteit voor Genees-kunde huisvest.
Het Eijkman Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Bacteriologie,op
het-zelfde terrein, functioneert ook nu
nog, zij het met een andere taakstelling.
In 1913 werd in Soerabaya de NIAS (Ned.Indische Artsen School )
opgericht met eenzelfde doelstel-ling als de Stovia in Batavia. Ook deze
instelling heeft zich tot medische faculteit ontwikkeld ( van de Airlangga
Universiteit) (onze co-auteur Sajid is
hier na zijn emeritaat als hoogleraar neurochirurgie, ook nu nog actief als
leerstoelhouder in de Medische Ethiek). Het CBZ van Surabaya , dat oorspron-kelijk gelegen was op Simpang, werd later verplaatst en heet thans
het Akademisch Dr. Sutomo ziekenhuis. Nadat sinds 1906 er subsidiemogelijkheden
ontstonden ter ondersteuning van het stichten van particuliere (lees: missie en
zendings-) ziekenhuizen, is het aantal ziekenhuizen dat ook ter beschikking van
de Inlandse bevolking stond aanzienlijk
toegenomen. Ook de aan onderneming-en (zoals plantages ) verbonden ziekenhuizen
mogen niet onvermeld blijven. Gedurende
de Japanse bezetting van 1942 – 1945
werd het leeuwendeel van de geneeskundige zorg verricht door
Indone-sisch medisch personeel, vaak onder leiding van Japanners.
Op 17-8-1945 volgde de
onafhankelijkheids verklaring van Indonesië door Sukarno en Hatta. De
neuropsychiater Van Wulfften Palthe die vanaf 1930 in Batavia als zenuwarts had gewerkt, en C.H. van Lenshoek, die zelf geboren was
in Semarang en als neurochirurg in Amsterdam werkte, maakten in 1945 een plan
om te voorzien in neurochirurgische zorg
in Indonesië. In Nederland had de neuro-loog Brouwer in 1929 de
neurochirurgie geïntroduceerd in Amsterdam. In het Prinses Margriet Hos-pitaal
te Batavia /Jakarta werd in 1948 een neurochirurgische afdeling opgericht. Binnen de Neuro-chirurgische Studie Club
werd door de daar vergaderde Nederlandse neurochirurgen besloten dat van de tot
dan toe in Nederland opgeleide
neurochirurgen er bij
toerbeurt steeds 1 neurochirurg
6 maanden naar Indonesië zou gaan,om daar te voorzien in de neurochirurgische
zorg. Deze voor-ziening heeft van 1948 tot en met 1953 ( dus ook na de
soevereiniteitsoverdracht op 27
December 1949) goed voldaan. Verder werd
er een afspraak gemaakt om intussen Indonesische artsen in Nederland op
te leiden tot neurochirurg, zodat die nadien deze taak op zich zouden kunnen
nemen.
De eerste Indonesische arts die werd opgeleid was Handoyo
die van 1948 tot 1952 werd opgeleid door Dr Arnold de Vet In de St. Ursula
Kliniek te Wassenaar, en die in 1953 als eerste Indonesische neurochirurg te
Jakarta ging werken. Van 1954 tot 1958 werd
Basoeki Wirdjowidjojo opgeleid door Sjel de Grood In het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg.
Dr Basoeki werd vervolgens de eerste neuro-chirurg, die in Surabaya de
neurochirurgie voor Oost Indonesië zou gaan ontwikkelen. Tussen 1962 en 1969
werden In Groningen in het Algemeen Provinciaals, Stads en Academisch
Ziekenhuis door Lenshoek , en later door Jan Beks, drie Indonesische
neurochirurgen opgeleid; Oen , Gwan Go, en Padmosantjojo. Van deze drie is
alleen Padmosantjojo naar Indonesië terug gekeerd waar hij in Jakarta ging
werken. In het Neurochirurgische Centrum Nijmegen werden o.l.v. Fons Walder
vier neurochirurgen voor Indonesie opgeleid ; Sajid Darmadipura (1971 – 1975)
,Umar Kasan (1975 – 1979) , Hafid Bajamal (1979 – 1983), en Paulus Sudiharto,
die in 1979 een stage van één jaar liep als aanvulling op zijn opleiding door
Handoyo in Jakarta. Nadat de Ursula Kliniek te Wassenaar verhuisd was naar de
Westeinde Kliniek te Den Haag kwam daar van 1981 -1982 Abdul Gofar
Sastrodiningrat , die bij Iskarno was opgeleid in Bandung, voor een stage van
een jaar bij Martin van Duinen. In 1989 liep Endro Basuki Sadjiman een stage
van één jaar bij Guus van Alphen in het Academisch Ziekenhuis van de Vrije
Universiteit te Amsterdam.
Naast deze negen neurochirurgen die na hun terugkeer
naar Indonesië de neurochirurgie in hun
vaderland verder hebben ontwikkeld, werden nog vijf Indonesische neurochirurgen
opgeleid , die , tegen de bedoeling in , na hun opleiding in Nederland bleven;
Karel Lie (Tilburg), Indra Tjaha (Slotervaart Amsterdam);Gwan Go (Groningen);Oen
(Groningen); Gjap Tan (Neuroradiologie Tilburg).
Sinds 1984 bestaat er een Indonesische Neurochirurgische
Vereniging en worden de neurochirurgen
in Indonesië zelf opgeleid. Na hun basisopleiding wordt er veelvuldig gebruik
gemaakt van buiten-landse stages en fellowships voor het verwerven van de
modernste vaardigheden en technieken. Er zijn Inmiddels in Indonesië vier
erkende neurochirurgische opleidingscentra centra; Jakarta, Surabaja, Bandung en Medan.
Er zijn nu 174
neurochirurgen werkzaam in Indonesië in 32 steden verdeeld over de gehele
archipel; desondanks bestaat er nog steeds een onderbezetting: 1 neurochirurg
op 1.400.000 inwoners ( in Nl 1/141.800). Sinds 1990 is er jaarlijks een
nascholingscursus van de Dutch Foundation for post-graduate Medical Courses in
Indonesia, waarvoor het initiatief in 1986 werd genomen door Prins Claus en de
Groningse neurochirurg Jan Beks.
I.H. Go,
notulist. / A.Keyser
zaterdag 27 april 2013
Abstract
Het
verlenen van zorg onder bijzondere omstandigheden.
C. Bakker, regionaal OTO-Zirop Coördinator.
dd 3 april 2013.
In een ziekenhuis kan zorg tekort schieten als; incident (
beheersbaar), calamiteit (met letsel/schade), ramp (hulpverleningscapaciteit
onvoldoende)of crisis (ernstige ontwrichting). Alle vier verstoren het
dagelijks programma van zorg.
De verstoringen kunnen optreden door externe calamiteiten: Mechanisch
(bijv. scheeps- , verkeers- of industriële rampen.; CBRN: (Chemisch,
Biologisch, Radioactief , Nucleair) ; Thermisch met meerde-re slachtoffers;
andere letsels, die leiden tot ernstige disbalans tussen zorgvraag en
-aanbod De ge-volgen kunnen groot zijn,
het verloop steeds anders en niet te voorspellen en de dagelijkse gang van
zaken wordt overhoop gegooid. Voorbeelden zijn de vliegtuigramp Bijlmer in
1992, de hittegolf tij-dens de 4-daagse in
2006 en het treinongeval in Amsterdam in 2011.
Calamiteiten kunnen ook intern gebeuren: Brand, uitbraak van
infectieziekte, incident met gevaar-lijke stoffen, uitval infrastructuur (gas,
elektriciteit, ICT), bommelding, bedrijfsongeval. Voorbeelden in het CWZ:
stroomuitval, ICT uitval, grote waterlekkage, zuurlekkage, uitval dect-
telefonie.
Waarom een calamiteitenplan? De kwaliteitswet zorginstellingen en de BIG
eisen voorbereidingen om onder alle omstandigheden verantwoorde zorg te bieden
en continuïteit van zorg te waarborgen. Volgens de leidraad COBRA moet per zorginstelling minimaal geregeld zijn dat
: Hoe de zorg is te prioriteren en de continuïteit te waarborgen; alle
medewerkers weten wat hun taken zijn bij een calamiteit; vitale processen
moeten in kaart gebracht zijn; er moet centraal toezicht zijn op actuele
zorgvraag en -aanbod. Het
crisisbeheersingsplan treedt in werking als de continuïteit van zorg in gevaar
komt. Cruciaal vitale processen zijn sluiting van afdelingen, groot aanbod van
patiënten, verplaatsen van patiënten, tekort aan personeel, uitval van
nutsvoorzieningen, apparatuur en ICT middelen, logistieke stagnatie, uitbraak
infectieziekten. Het toezicht wordt uitgevoerd door een cri-sismanager. Deze is
verantwoordelijk voor bestrijding van
de interne calamiteit, aansturen van de organisatie bij opvang van
rampenslachtoffers, beperking van de negatieve gevolgen van de calami-teit.
Deze functie wordt uitgevoerd door de diensdoende manager bedrijfsvoering zorg
en heeft een strakke hiërarchische structuur (1 kapitein op het dek).
Planvorming is goed, maar hoe kun
je beoordelen hoe we als organisatie voldoende zijn voorbereid om onze taak uit
te voeren in dergelijke situatie? Om te bereiken dat bij medewerkers de benodigde awereness wordt gekweekt en dat
ze weten wat ze moeten tijdens een
incident of ramp is scholing, training en oefening noodzakelijk. Na een periode van voorbereiding heeft er
dan op 10 november 2012 dan ook een grootschalige ramp oefening plaatsgevonden,
waar naast het CWZ ook de SMK, het UMCN , gemeente Nijmegen en defensie
gezamenlijk hebben geoefend.
Notulist I. H. Go
Abstract
Het verlenen van zorg onder bijzondere omstandigheden.
C. Bakker,
regionaal OTO-Zirop Coördinator. dd 3 april 2013.
In een ziekenhuis kan zorg tekort schieten als; incident (
beheersbaar), calamiteit (met letsel/schade), ramp (hulpverleningscapaciteit
onvoldoende)of crisis (ernstige ontwrichting). Alle vier verstoren het
dagelijks programma van zorg.
De verstoringen kunnen optreden door externe calamiteiten: Mechanisch
(bijv. scheeps- , verkeers- of industriële rampen.; CBRN: (Chemisch,
Biologisch, Radioactief , Nucleair) ; Thermisch met meerde-re slachtoffers;
andere letsels, die leiden tot ernstige disbalans tussen zorgvraag en
-aanbod De ge-volgen kunnen groot zijn,
het verloop steeds anders en niet te voorspellen en de dagelijkse gang van
zaken wordt overhoop gegooid. Voorbeelden zijn de vliegtuigramp Bijlmer in
1992, de hittegolf tij-dens de 4-daagse in
2006 en het treinongeval in Amsterdam in 2011.
Calamiteiten kunnen ook intern gebeuren: Brand, uitbraak van
infectieziekte, incident met gevaar-lijke stoffen, uitval infrastructuur (gas,
elektriciteit, ICT), bommelding, bedrijfsongeval. Voorbeelden in het CWZ:
stroomuitval, ICT uitval, grote waterlekkage, zuurlekkage, uitval decttelefonie.
Waarom een calamiteitenplan? De kwaliteitswet zorginstellingen en de BIG
eisen voorbereidingen om onder alle omstandigheden verantwoorde zorg te bieden
en continuïteit van zorg te waarborgen. Volgens de leidraad COBRA moet per zorginstelling minimaal geregeld zijn dat
: Hoe de zorg is te prioriteren en de continuïteit te waarborgen; alle
medewerkers weten wat hun taken zijn bij een calamiteit; vitale processen
moeten in kaart gebracht zijn; er moet centraal toezicht zijn op actuele
zorgvraag en -aanbod. Het
crisisbeheersingsplan treedt in werking als de continuïteit van zorg in gevaar
komt. Cruciaal vitale processen zijn sluiting van afdelingen, groot aanbod van
patiënten, verplaatsen van patiënten, tekort aan personeel, uitval van
nutsvoorzieningen, apparatuur en ICT middelen, logistieke stagnatie, uitbraak
infectieziekten. Het toezicht wordt uitgevoerd door een crisismanager. Deze is
verantwoordelijk voor bestrijding van
de interne calamiteit, aansturen van de organisatie bij opvang van
rampenslachtoffers, beperking van de negatieve gevolgen van de calamiteit.
Deze functie wordt uitgevoerd door de dienstdoende manager bedrijfsvoering zorg
en heeft een strakke hiërarchische structuur (1 kapitein op het dek).
Planvorming is goed, maar hoe kun
je beoordelen hoe we als organisatie voldoende zijn voorbereid om onze taak uit
te voeren in dergelijke situatie? Om te bereiken dat bij medewerkers de benodigde awereness wordt gekweekt en dat
ze weten wat ze moeten tijdens een
incident of ramp is scholing, training en oefening noodzakelijk. Na een periode van voorbereiding heeft er
dan op 10 november 2012 dan ook een grootschalige ramp oefening plaatsgevonden,
waar naast het CWZ ook de SMK, het UMCN , gemeente Nijmegen en defensie
gezamenlijk hebben geoefend.
Notulist I. H. Go
donderdag 28 maart 2013
Nijmegen, 28/03/2013
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 3 April om
16. 30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
Onderwerp: 16u30 borrel
vooraf
17.00
uur "Het verlenen van zorg onder
bijzondere omstandigheden ".
Spreker: C. Bakker, regionaal OTO-Zirop Coördinator
Als u mee wilt eten,
zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk). Alle
prijzen € 19,50:
1. Vlees:
Kalfsoester,Bospaddestoelen, ratatouille, cognac-pepersaus
2. Vis:
Vispannetje; diverse vissoorten en gamba's gestoofd in spinazie-roomsaus
3.Vegetarisch: Ravioli met
bospaddestoelen ,Balsamicistroop, verse groenten van de dag
*Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u
komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
vrijdag 15 maart 2013
Abstract
Het collegie van Meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns- kamer te Nijmegen.
Dr. J.A.N. van der Spek
6/3/2013.
Het castellum van de Romeinen wordt 300 na Chr. door de Franken bezet, waarna het Christendom met hulp van de bisschop van Keulen Kunibert wordt verspreid en in 625 een kerk wordt gebouwd, vernoemd naar de Heilige Stephanus. in de 12e eeuw wordt de Commanderie van St Jan gebouwd. In 1249 werpt Otto II (1215-1271), graaf van Gelre een wal rond het fort op. Omdat de Stevens kerk hierbij in de weg stond, werd deze afgebroken en in overleg met Conradus, aartsbisschop van Keulen (1198-1201) op de huidige plaats herbouwd. De kerk werd door Albertus Magnus ,wijbisschop van Keulen in 1280 ingewijd. In de 14e-15e eeuw vestigde zich de handel op en rond de Hundisberg. Op het plein voor de vleeshal en de ook in de 2e helft van de 14e eeuw gebouwde Laeckenhal werd een groentemarkt gehouden. De Laeckenhal was 50 meter lang en de ruimte beneden werd verhuurd aan kooplieden. Daarboven was de hal, waar stoffen werden geverfd. De blauwe verf hiervoor was niet afwasbaar en de werklieden dronken hun bier in Café de Blauwe Hand. In de hal werden oa. Jacoba van Beieren (1401-1436) gravin van Holland-Henegouwen en Arnold van Egmond, hertog van Gelre ont-vangen. De Lakenhal werd echter bouwvallig en werd op de begane grond afgesloten en ondersteund met mu-ren. In 1551 werden aan de voorzijde 2 gothische bogen gebouwd en achter 1 boog als toegang tot de kerk. Daarna werden boven op de hal nog 2 verdiepingen gebouwd en in 1607 een torentje met een wenteltrap met een leuning gehouwen uit een 7 meter hoge boomstam. De ruimte op de 1e verdieping werd in 1613 toegewe-zen aan de chirurgijns. In 1382 start het archief van Nijmegen, waarin te lezen is dat vanaf dat moment zich chi-rurgijnen vestigden, waarvan de kwaliteit nogal wisselde. Daarom werd in 1611 een examen ingesteld, af te leggen bij een stadsgeneesheer o.a. moest de candidaat aantonen dat hij in een schedel met een trepanatie-boor boorgaten kon maken. Ook was er een skelet te zien, door Emanuel de Mandeville in Leiden geprepareerd uit een dood lichaam. In 1655 werd de Latijnse school verheven tot Illustere school en in 1656 ont-stond de universiteit. Aan de universteit konden chirurgijns promoveren tot arts. Colleges werden in de Commanderie van St. Jan gegeven oa. door de stadsarts Emanuel de Mandeville. Het anatomisch onderwijs werd gegeven in de chirurgijnskamer op vreemdelingen. die in het gasthuis overleden. De kamer werd verlicht door een kroon-luchter, waarin een gat werd gemaakt voor de beluchting. De orde werd gehandhaafd met boetes. Zo werd het trekken van een mes tijdens een vergadering beboet met 12 Carolusguldens; een ander werd voor het tegen de grond werken van een bestuurslid geschorst en moest zijn scheerbekken inleveren, waardoor hij brodeloos werd. (chirurgijns verdienden hun brood door als barbier te knippen en te scheren De jaarvergadering vond plaats op de ver-jaardag van Cosmas en Damianus beschermheiligen van het gilde. De examens voor chirurgijns wer-den van 1611 - 1798 afgenomen. ). Bij de examenuitslag moest de geslaagde een diner geven met wijn. In 1635-36 was er een pestepidemie, die door slechts één chirurgijn werd overleefd. Uit Den Haag kwam toen een chirurgijn Hendrik Schadborne, die toch nog examen moest afleggen. Hij kocht een huis op de Grote Markt en later ook nog een huis voor zijn broer, die zich hier als onderwijzer vestigde. Na het examen mochten de chirurgijns alleen een amputatie of een trepanatie verrichten onder toezicht van de stadsarts. Hendrik schond deze regel regelmatig en werd daarvoor ook be-boet. Bij Filips van Nassau, de zoon van een bastaard van Wil-lem van Oranje, bewoner van het kas-teel Wijchen, stelde hij na een val van diens paard de diagnose intracra-nieel hematoom. Deze diag-nose werd bevestigd na de 27e trepanatie, toen het bloed uit het boorgat spoot. Filips schreef hier-voor een getuigschrift. Uit de discussie bleek nog dat de vaak genoemde vogelsnavel, die door geneeskundigen bij een pestepidemie zou worden gedragen om besmetting te voorkomen, niet hiervoor werd gebruikt, maar alleen toepassing vond als carnavals masker in Venetië. Roy Go, notulist.
Het collegie van Meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns- kamer te Nijmegen.
Dr. J.A.N. van der Spek
6/3/2013.
Het castellum van de Romeinen wordt 300 na Chr. door de Franken bezet, waarna het Christendom met hulp van de bisschop van Keulen Kunibert wordt verspreid en in 625 een kerk wordt gebouwd, vernoemd naar de Heilige Stephanus. in de 12e eeuw wordt de Commanderie van St Jan gebouwd. In 1249 werpt Otto II (1215-1271), graaf van Gelre een wal rond het fort op. Omdat de Stevens kerk hierbij in de weg stond, werd deze afgebroken en in overleg met Conradus, aartsbisschop van Keulen (1198-1201) op de huidige plaats herbouwd. De kerk werd door Albertus Magnus ,wijbisschop van Keulen in 1280 ingewijd. In de 14e-15e eeuw vestigde zich de handel op en rond de Hundisberg. Op het plein voor de vleeshal en de ook in de 2e helft van de 14e eeuw gebouwde Laeckenhal werd een groentemarkt gehouden. De Laeckenhal was 50 meter lang en de ruimte beneden werd verhuurd aan kooplieden. Daarboven was de hal, waar stoffen werden geverfd. De blauwe verf hiervoor was niet afwasbaar en de werklieden dronken hun bier in Café de Blauwe Hand. In de hal werden oa. Jacoba van Beieren (1401-1436) gravin van Holland-Henegouwen en Arnold van Egmond, hertog van Gelre ont-vangen. De Lakenhal werd echter bouwvallig en werd op de begane grond afgesloten en ondersteund met mu-ren. In 1551 werden aan de voorzijde 2 gothische bogen gebouwd en achter 1 boog als toegang tot de kerk. Daarna werden boven op de hal nog 2 verdiepingen gebouwd en in 1607 een torentje met een wenteltrap met een leuning gehouwen uit een 7 meter hoge boomstam. De ruimte op de 1e verdieping werd in 1613 toegewe-zen aan de chirurgijns. In 1382 start het archief van Nijmegen, waarin te lezen is dat vanaf dat moment zich chi-rurgijnen vestigden, waarvan de kwaliteit nogal wisselde. Daarom werd in 1611 een examen ingesteld, af te leggen bij een stadsgeneesheer o.a. moest de candidaat aantonen dat hij in een schedel met een trepanatie-boor boorgaten kon maken. Ook was er een skelet te zien, door Emanuel de Mandeville in Leiden geprepareerd uit een dood lichaam. In 1655 werd de Latijnse school verheven tot Illustere school en in 1656 ont-stond de universiteit. Aan de universteit konden chirurgijns promoveren tot arts. Colleges werden in de Commanderie van St. Jan gegeven oa. door de stadsarts Emanuel de Mandeville. Het anatomisch onderwijs werd gegeven in de chirurgijnskamer op vreemdelingen. die in het gasthuis overleden. De kamer werd verlicht door een kroon-luchter, waarin een gat werd gemaakt voor de beluchting. De orde werd gehandhaafd met boetes. Zo werd het trekken van een mes tijdens een vergadering beboet met 12 Carolusguldens; een ander werd voor het tegen de grond werken van een bestuurslid geschorst en moest zijn scheerbekken inleveren, waardoor hij brodeloos werd. (chirurgijns verdienden hun brood door als barbier te knippen en te scheren De jaarvergadering vond plaats op de ver-jaardag van Cosmas en Damianus beschermheiligen van het gilde. De examens voor chirurgijns wer-den van 1611 - 1798 afgenomen. ). Bij de examenuitslag moest de geslaagde een diner geven met wijn. In 1635-36 was er een pestepidemie, die door slechts één chirurgijn werd overleefd. Uit Den Haag kwam toen een chirurgijn Hendrik Schadborne, die toch nog examen moest afleggen. Hij kocht een huis op de Grote Markt en later ook nog een huis voor zijn broer, die zich hier als onderwijzer vestigde. Na het examen mochten de chirurgijns alleen een amputatie of een trepanatie verrichten onder toezicht van de stadsarts. Hendrik schond deze regel regelmatig en werd daarvoor ook be-boet. Bij Filips van Nassau, de zoon van een bastaard van Wil-lem van Oranje, bewoner van het kas-teel Wijchen, stelde hij na een val van diens paard de diagnose intracra-nieel hematoom. Deze diag-nose werd bevestigd na de 27e trepanatie, toen het bloed uit het boorgat spoot. Filips schreef hier-voor een getuigschrift. Uit de discussie bleek nog dat de vaak genoemde vogelsnavel, die door geneeskundigen bij een pestepidemie zou worden gedragen om besmetting te voorkomen, niet hiervoor werd gebruikt, maar alleen toepassing vond als carnavals masker in Venetië. Roy Go, notulist.
donderdag 28 februari 2013
Nijmegen, 26/02/2013
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 6 Maart om 16. 30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
16u30 - 17.00 uur borrel
"Het Collegie van meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns-kamer te Nijmegen".
Spreker: Dr. J.A.N. van der Spek
Als u mee wilt eten, zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk). Alle prijzen € 19,50: 1. Vispannetje Div. vissoorten en gamba's gestoofd in spinazie-roomsaus
2. Limburgse varkenshaas Gestoofde venkel, champignons, mosterdsaus.
3.Vegetarisch: Vegetarische lasagne Artisjok, aubergine, courgette en bechamelsaus
*Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop. Met vriendelijke groet, namens het bestuur Roy Go
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 6 Maart om 16. 30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
16u30 - 17.00 uur borrel
"Het Collegie van meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns-kamer te Nijmegen".
Spreker: Dr. J.A.N. van der Spek
Als u mee wilt eten, zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk). Alle prijzen € 19,50: 1. Vispannetje Div. vissoorten en gamba's gestoofd in spinazie-roomsaus
2. Limburgse varkenshaas Gestoofde venkel, champignons, mosterdsaus.
3.Vegetarisch: Vegetarische lasagne Artisjok, aubergine, courgette en bechamelsaus
*Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop. Met vriendelijke groet, namens het bestuur Roy Go
Abonneren op:
Posts (Atom)












