Agenda 2026

1 april Toine Lagro-Janssen: Sekse- en gendersensitieve geneeskunde
6 mei de heer en mevrouw Bots: Madame de Maintenon
3 juni Zomerborrel
In juli en augustus géén bijeenkomst
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.

Blogarchief

maandag 18 november 2013

Abstract PORTRETTEN, PRENTEN EN FRONTPAGINA’S VAN ACADEMISCHE MEDICI IN D 17DE EEUW. dr. H.W.O. Deleu. 9 November 2013

            Wij belichten het verschijnen en de betekenis van de academische medische confrère in de zeventiende eeuw aan de hand van zijn presentatie in de kunst van die tijd. In een bijna sacrale sfeer van de aula of Senaatskamer wordt een protocollair gedirigeerd academisch steekspel (of spektakel?) opgevoerd tussen oudmodisch ‘gekostumeerde’ hooggeleerde opponenten in toga en baret en de promovendus. Deze laatste voegt met zijn proeve van academische bekwaamheid enerzijds grandeur toe aan de hoogstaande kwaliteit van het academische bestel. Anderzijds beoogt het feestelijk spel ook een garantie te geven voor het behoud van dit niveau in de toekomst. De grotendeels toch ceremoniële gebeurtenis verbindt een intellectueel verleden met de toekomst: er is een samenspel van jonge én rijpe intelligentsia in discussie over een wetenschappelijk item.
De universiteit, een universitas magistrorum et scholarium (gemeenschap van meesters en scholieren die na de Latijnse school of het Athenaeum Illustre via verdere studie een hogere graad halen), creëert een in de beeldkunst zichtbare noblesse de robe met aristocratisch elitaire gedragingen  en leefwijze.

Bij een wandeling langs Senaatskamers van Nederlandse universiteiten valt dadelijk op dat de medische magistri in de zeventiende eeuw veruit in de minderheid zijn. Een telling zou wellicht aantonen dat theologen, rechtsgeleerden, letterkundigen en filosofen, alsmede wis- en natuurkundigen in groter aantal dan medici figureren op de muren. De impact van hun medische kennis in het sociale en economische milieu van de zeventiende eeuw is uiteraard vele malen kleiner  dan de inbreng van eerstgenoemde groepen academici.
Algemeen valt bij de studie  van de officiële portretten van academische medici  de grote eenvormigheid van compositie op. Men kan zelfs spreken van monotonie. Er zijn slechts enkele uitzonderingen met een levendige en fantasievolle portrettering.
Hoewel het aantal onderzochte officiële portretten gering is, bestaat toch  de neiging om een rechts aanziend portret  als de meest voorkomende  optie te duiden bij een Senaatskamerportret waarbij de geleerde een zekere distinctie,  distantie en autoriteit wil uitdrukken. Bij meer ‘gemoedelijke’ portretten uit de privé sfeer is een links aanzien eerder de regel. De studie toont bij twintig personen geen enkel relevant attribuut. Zeer zeldzaam vindt men op het Senaatskamerportret een wapenschild of een ander genealogisch embleem weergegeven.
Een medisch instrument vindt men  – afgezien van de anatomische lessen – bij Solingen en bij Bidloo. Deze laatste is de enige met een mes dat hij geopend in de richting van de beschouwer toont!
Het klassieke doceergebaar voor een magister treft men slechts vier maal aan bij: bij Schuyl, Dekkers, Tulp en bij Solingen, die geen hoogleraar was.
Tenslotte valt  de onderlinge uitwisselbaarheid op van schilderijen van één persoon. Zo is de pose voor het officiële portret van van Diemerbroeck (Univ. Utrecht)  ook gebruikt voor twee prenten van hem.
Enkele portretten uit Leiden en uit Amsterdam vallen op door een harmonische compositie en kleur-stelling, alsmede door de inbreng van inventieve details. De schilders uit het Westen van het land die deze portretten schilderden in die periode, behoren duidelijk tot een hoger niveau dan elders in de Republiek. Daar was een monotone beeldcompositie de regel..
In Franeker en Harderwijk lagen de prioriteiten bij het portretteren van theologen, juristen en filosofen hoger dan voor dokters en lijkensnijders.
 Het hoogleraarportret, bedoeld voor de Senaatskamer is een eerder afstandelijke zakelijke transactie geweest tussen de curatoren van een universiteit en de schilder. Het feit dat in 1735-37 én in 1964 als het ware een achterstand is ingelopen door ofwel portretten te verzamelen via de erven van een hoogleraar, of door vanuit beschikbare prenten alsnog een schilderij te laten maken, onderstreept dit nog. Men wilde vooral voor latere generaties een tastbare beeltenis van de vroegere geleerden hebben. Deze clarissimi viri strekken de universiteit tot eer en fungeren ter zelfdertijd als educatieve relieken voor een jongere generatie geleerden en aankomende wetenschappers  die de Senaatkamer betreden:
De oude garde als een lichtend voorbeeld voor de toekomst! De grafische prent en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappe-lijke gedachtegoed van een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke, bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice. Beide kunstvormen zijn met elkaar verweven via de boekdrukkunst die om commerciële reden of uit esthetisch oogpunt de geleerde samen met zijn geestesarbeid in de zeventiende eeuwse werkkamer, huiskamer of salon brengt.

De grafische prent en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappelijke gedachtegoed van een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke, bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice.
De grafische portretprent staat nog dicht bij het embleem vanuit de renaissance.

            Bij voorpagina-prenten van medici wordt de centrale afbeelding vaak geschraagd door anato-mische of  botanische attributen. Soms  heeft men te maken met omvangrijke, kunstig in elkaar gevlochten afbeeldingen met een diepere symbolische, mythologische of Bijbelse en beroepsgebonden betekenis. Maniëristisch uitgewerkte allegorieën verraden een voortbouwen op de bekende portretcycli uit de Renaissance. De attributen die besproken zijn, verwijzen veelal naar het medisch-anatomisch of botanische vak: een mes of andere anatomische instrumenten, een meetapparaat, een skelet of delen ervan, een spierman, een klisteerspuit, allerlei bloemen, planten en zaden alsmede de hoorn des overvloeds. In veel titelpagina’s ziet men allegorische, mythologische verwijzingen, vaak toch naar de klassieke medische wereld: Apollo als god van de geneeskunde, Asklepios en dochter Hygieia (gezondheid), Dioscurides en lauwerkransen en lauriertakken. Deze verwijzingen naar de klassieke fundamenten van de geneeskunde beogen bij de lezer de soliditeit en het waarheidsgehalte van de teksten te onderstrepen. De aanwezigheid van een menselijk lijk op de titelpagina onderstreept mijns inziens ook een garantie aan de lezer dat de inhoud gaat over menselijke anatomie. Renaissance.
 Aan het eind van de zeventiende eeuw neigt de persoonsverheerlijking op de prenten af te nemen, waarbij tevens het overvloedige bijwerk  iets minder uitvoerig en eenvoudiger wordt.

            Aangegeven wordt tenslotte, dat er nog tot ver in de zeventiende eeuw een soms hardnekkige strijd bestond tussen die geleerden die Hippocrates en Galenus trouw bleven en zij die progressieve nieuwe wegen wilden bewandelen.

In de discussie wordt duidelijk dat de geneeskundige zorg voor de patiënt voornamelijk werd uitge-voerd door de barbiers. De medische magistri beperkten zich tot wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en een enkel consult.

Dr. Herman O.W. Deleu

                                              






Geen opmerkingen: