Abstract PORTRETTEN, PRENTEN EN FRONTPAGINA’S
VAN ACADEMISCHE MEDICI IN D 17DE EEUW. dr. H.W.O. Deleu. 9 November
2013
Wij
belichten het verschijnen en de betekenis van de academische medische confrère in de zeventiende eeuw
aan de hand van zijn presentatie in de kunst van die tijd. In een bijna sacrale
sfeer van de aula of Senaatskamer wordt een protocollair gedirigeerd academisch
steekspel (of spektakel?) opgevoerd tussen oudmodisch ‘gekostumeerde’
hooggeleerde opponenten in toga en baret en de promovendus. Deze laatste voegt
met zijn proeve van academische bekwaamheid enerzijds grandeur toe aan de hoogstaande kwaliteit van het academische
bestel. Anderzijds beoogt het feestelijk spel ook een garantie te geven voor
het behoud van dit niveau in de toekomst. De grotendeels toch ceremoniële
gebeurtenis verbindt een intellectueel verleden met de toekomst: er is een
samenspel van jonge én rijpe intelligentsia in discussie over een
wetenschappelijk item.
De
universiteit, een universitas magistrorum
et scholarium (gemeenschap van meesters en scholieren die na de Latijnse
school of het Athenaeum Illustre via verdere studie een hogere graad halen),
creëert een in de beeldkunst zichtbare noblesse
de robe met aristocratisch elitaire gedragingen en leefwijze.
Bij
een wandeling langs Senaatskamers van Nederlandse universiteiten valt dadelijk
op dat de medische magistri in de
zeventiende eeuw veruit in de minderheid zijn. Een telling zou wellicht
aantonen dat theologen, rechtsgeleerden, letterkundigen en filosofen, alsmede
wis- en natuurkundigen in groter aantal dan medici figureren op de muren. De
impact van hun medische kennis in het sociale en economische milieu van de
zeventiende eeuw is uiteraard vele malen kleiner dan de inbreng van eerstgenoemde groepen
academici.
Algemeen
valt bij de studie van de officiële
portretten van academische medici de
grote eenvormigheid van compositie op. Men kan zelfs spreken van monotonie. Er
zijn slechts enkele uitzonderingen met een levendige en fantasievolle
portrettering.
Hoewel het aantal onderzochte
officiële portretten gering is, bestaat toch
de neiging om een rechts aanziend portret als de meest voorkomende optie te duiden bij een Senaatskamerportret
waarbij de geleerde een zekere distinctie,
distantie en autoriteit wil uitdrukken. Bij meer ‘gemoedelijke’
portretten uit de privé sfeer is een links aanzien eerder de regel. De studie
toont bij twintig personen geen enkel relevant attribuut. Zeer zeldzaam vindt
men op het Senaatskamerportret een wapenschild of een ander genealogisch
embleem weergegeven.
Een medisch instrument vindt
men – afgezien van de anatomische lessen
– bij Solingen en bij Bidloo. Deze laatste is de enige met een mes dat hij
geopend in de richting van de beschouwer toont!
Het klassieke doceergebaar
voor een magister treft men slechts
vier maal aan bij: bij Schuyl, Dekkers, Tulp en bij Solingen, die geen
hoogleraar was.
Tenslotte valt de onderlinge uitwisselbaarheid op van
schilderijen van één persoon. Zo is de pose voor het officiële portret van van
Diemerbroeck (Univ. Utrecht) ook
gebruikt voor twee prenten van hem.
Enkele portretten uit Leiden
en uit Amsterdam vallen op door een harmonische compositie en kleur-stelling,
alsmede door de inbreng van inventieve details. De schilders uit het Westen van
het land die deze portretten schilderden in die periode, behoren duidelijk tot
een hoger niveau dan elders in de Republiek. Daar was een monotone
beeldcompositie de regel..
In Franeker en Harderwijk
lagen de prioriteiten bij het portretteren van theologen, juristen en filosofen
hoger dan voor dokters en lijkensnijders.
Het hoogleraarportret, bedoeld voor de
Senaatskamer is een eerder afstandelijke zakelijke transactie geweest tussen de
curatoren van een universiteit en de schilder. Het feit dat in 1735-37 én in
1964 als het ware een achterstand is ingelopen door ofwel portretten te
verzamelen via de erven van een hoogleraar, of door vanuit beschikbare prenten
alsnog een schilderij te laten maken, onderstreept dit nog. Men wilde vooral
voor latere generaties een tastbare beeltenis van de vroegere
geleerden hebben. Deze clarissimi
viri strekken de universiteit tot eer en fungeren ter zelfdertijd als
educatieve relieken voor een jongere generatie geleerden en aankomende
wetenschappers die de Senaatkamer
betreden:
De oude garde als een lichtend voorbeeld
voor de toekomst! De grafische prent
en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappe-lijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in
wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice. Beide kunstvormen zijn met elkaar verweven via de
boekdrukkunst die om commerciële reden of uit esthetisch oogpunt de geleerde
samen met zijn geestesarbeid in de zeventiende eeuwse werkkamer, huiskamer of
salon brengt.
De grafische prent en de
titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappelijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke
arbeid via een prent of een frontispice.
De grafische portretprent
staat nog dicht bij het embleem vanuit de renaissance.
Bij
voorpagina-prenten van medici wordt de centrale afbeelding vaak geschraagd door
anato-mische of botanische attributen.
Soms heeft men te maken met omvangrijke,
kunstig in elkaar gevlochten afbeeldingen met een diepere symbolische,
mythologische of Bijbelse en beroepsgebonden betekenis. Maniëristisch
uitgewerkte allegorieën verraden een voortbouwen op de bekende portretcycli uit
de Renaissance. De attributen die besproken zijn, verwijzen veelal naar het
medisch-anatomisch of botanische vak: een mes of andere anatomische
instrumenten, een meetapparaat, een skelet of delen ervan, een spierman, een
klisteerspuit, allerlei bloemen, planten en zaden alsmede de hoorn des
overvloeds. In veel titelpagina’s ziet men allegorische, mythologische
verwijzingen, vaak toch naar de klassieke medische wereld: Apollo als god van
de geneeskunde, Asklepios en dochter Hygieia (gezondheid), Dioscurides en
lauwerkransen en lauriertakken. Deze verwijzingen naar de klassieke fundamenten
van de geneeskunde beogen bij de lezer de soliditeit en het waarheidsgehalte
van de teksten te onderstrepen. De aanwezigheid van een menselijk lijk op de
titelpagina onderstreept mijns inziens ook een garantie aan de lezer dat de
inhoud gaat over menselijke anatomie. Renaissance.
Aan het eind van de zeventiende eeuw neigt de
persoonsverheerlijking op de prenten af te nemen, waarbij tevens het
overvloedige bijwerk iets minder
uitvoerig en eenvoudiger wordt.
Aangegeven
wordt tenslotte, dat er nog tot ver in de zeventiende eeuw een soms hardnekkige
strijd bestond tussen die geleerden die Hippocrates en Galenus trouw bleven en
zij die progressieve nieuwe wegen wilden bewandelen.
In de discussie wordt
duidelijk dat de geneeskundige zorg voor de patiënt voornamelijk werd
uitge-voerd door de barbiers. De medische magistri beperkten zich tot
wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en een enkel consult.
Dr. Herman O.W. Deleu