Agenda 2026

1 april Toine Lagro-Janssen: Sekse- en gendersensitieve geneeskunde
6 mei de heer en mevrouw Bots: Madame de Maintenon
3 juni Zomerborrel
In juli en augustus géén bijeenkomst
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.

Blogarchief

maandag 18 november 2013

Abstract PORTRETTEN, PRENTEN EN FRONTPAGINA’S VAN ACADEMISCHE MEDICI IN D 17DE EEUW. dr. H.W.O. Deleu. 9 November 2013

            Wij belichten het verschijnen en de betekenis van de academische medische confrère in de zeventiende eeuw aan de hand van zijn presentatie in de kunst van die tijd. In een bijna sacrale sfeer van de aula of Senaatskamer wordt een protocollair gedirigeerd academisch steekspel (of spektakel?) opgevoerd tussen oudmodisch ‘gekostumeerde’ hooggeleerde opponenten in toga en baret en de promovendus. Deze laatste voegt met zijn proeve van academische bekwaamheid enerzijds grandeur toe aan de hoogstaande kwaliteit van het academische bestel. Anderzijds beoogt het feestelijk spel ook een garantie te geven voor het behoud van dit niveau in de toekomst. De grotendeels toch ceremoniële gebeurtenis verbindt een intellectueel verleden met de toekomst: er is een samenspel van jonge én rijpe intelligentsia in discussie over een wetenschappelijk item.
De universiteit, een universitas magistrorum et scholarium (gemeenschap van meesters en scholieren die na de Latijnse school of het Athenaeum Illustre via verdere studie een hogere graad halen), creëert een in de beeldkunst zichtbare noblesse de robe met aristocratisch elitaire gedragingen  en leefwijze.

Bij een wandeling langs Senaatskamers van Nederlandse universiteiten valt dadelijk op dat de medische magistri in de zeventiende eeuw veruit in de minderheid zijn. Een telling zou wellicht aantonen dat theologen, rechtsgeleerden, letterkundigen en filosofen, alsmede wis- en natuurkundigen in groter aantal dan medici figureren op de muren. De impact van hun medische kennis in het sociale en economische milieu van de zeventiende eeuw is uiteraard vele malen kleiner  dan de inbreng van eerstgenoemde groepen academici.
Algemeen valt bij de studie  van de officiële portretten van academische medici  de grote eenvormigheid van compositie op. Men kan zelfs spreken van monotonie. Er zijn slechts enkele uitzonderingen met een levendige en fantasievolle portrettering.
Hoewel het aantal onderzochte officiële portretten gering is, bestaat toch  de neiging om een rechts aanziend portret  als de meest voorkomende  optie te duiden bij een Senaatskamerportret waarbij de geleerde een zekere distinctie,  distantie en autoriteit wil uitdrukken. Bij meer ‘gemoedelijke’ portretten uit de privé sfeer is een links aanzien eerder de regel. De studie toont bij twintig personen geen enkel relevant attribuut. Zeer zeldzaam vindt men op het Senaatskamerportret een wapenschild of een ander genealogisch embleem weergegeven.
Een medisch instrument vindt men  – afgezien van de anatomische lessen – bij Solingen en bij Bidloo. Deze laatste is de enige met een mes dat hij geopend in de richting van de beschouwer toont!
Het klassieke doceergebaar voor een magister treft men slechts vier maal aan bij: bij Schuyl, Dekkers, Tulp en bij Solingen, die geen hoogleraar was.
Tenslotte valt  de onderlinge uitwisselbaarheid op van schilderijen van één persoon. Zo is de pose voor het officiële portret van van Diemerbroeck (Univ. Utrecht)  ook gebruikt voor twee prenten van hem.
Enkele portretten uit Leiden en uit Amsterdam vallen op door een harmonische compositie en kleur-stelling, alsmede door de inbreng van inventieve details. De schilders uit het Westen van het land die deze portretten schilderden in die periode, behoren duidelijk tot een hoger niveau dan elders in de Republiek. Daar was een monotone beeldcompositie de regel..
In Franeker en Harderwijk lagen de prioriteiten bij het portretteren van theologen, juristen en filosofen hoger dan voor dokters en lijkensnijders.
 Het hoogleraarportret, bedoeld voor de Senaatskamer is een eerder afstandelijke zakelijke transactie geweest tussen de curatoren van een universiteit en de schilder. Het feit dat in 1735-37 én in 1964 als het ware een achterstand is ingelopen door ofwel portretten te verzamelen via de erven van een hoogleraar, of door vanuit beschikbare prenten alsnog een schilderij te laten maken, onderstreept dit nog. Men wilde vooral voor latere generaties een tastbare beeltenis van de vroegere geleerden hebben. Deze clarissimi viri strekken de universiteit tot eer en fungeren ter zelfdertijd als educatieve relieken voor een jongere generatie geleerden en aankomende wetenschappers  die de Senaatkamer betreden:
De oude garde als een lichtend voorbeeld voor de toekomst! De grafische prent en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappe-lijke gedachtegoed van een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke, bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice. Beide kunstvormen zijn met elkaar verweven via de boekdrukkunst die om commerciële reden of uit esthetisch oogpunt de geleerde samen met zijn geestesarbeid in de zeventiende eeuwse werkkamer, huiskamer of salon brengt.

De grafische prent en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappelijke gedachtegoed van een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke, bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice.
De grafische portretprent staat nog dicht bij het embleem vanuit de renaissance.

            Bij voorpagina-prenten van medici wordt de centrale afbeelding vaak geschraagd door anato-mische of  botanische attributen. Soms  heeft men te maken met omvangrijke, kunstig in elkaar gevlochten afbeeldingen met een diepere symbolische, mythologische of Bijbelse en beroepsgebonden betekenis. Maniëristisch uitgewerkte allegorieën verraden een voortbouwen op de bekende portretcycli uit de Renaissance. De attributen die besproken zijn, verwijzen veelal naar het medisch-anatomisch of botanische vak: een mes of andere anatomische instrumenten, een meetapparaat, een skelet of delen ervan, een spierman, een klisteerspuit, allerlei bloemen, planten en zaden alsmede de hoorn des overvloeds. In veel titelpagina’s ziet men allegorische, mythologische verwijzingen, vaak toch naar de klassieke medische wereld: Apollo als god van de geneeskunde, Asklepios en dochter Hygieia (gezondheid), Dioscurides en lauwerkransen en lauriertakken. Deze verwijzingen naar de klassieke fundamenten van de geneeskunde beogen bij de lezer de soliditeit en het waarheidsgehalte van de teksten te onderstrepen. De aanwezigheid van een menselijk lijk op de titelpagina onderstreept mijns inziens ook een garantie aan de lezer dat de inhoud gaat over menselijke anatomie. Renaissance.
 Aan het eind van de zeventiende eeuw neigt de persoonsverheerlijking op de prenten af te nemen, waarbij tevens het overvloedige bijwerk  iets minder uitvoerig en eenvoudiger wordt.

            Aangegeven wordt tenslotte, dat er nog tot ver in de zeventiende eeuw een soms hardnekkige strijd bestond tussen die geleerden die Hippocrates en Galenus trouw bleven en zij die progressieve nieuwe wegen wilden bewandelen.

In de discussie wordt duidelijk dat de geneeskundige zorg voor de patiënt voornamelijk werd uitge-voerd door de barbiers. De medische magistri beperkten zich tot wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en een enkel consult.

Dr. Herman O.W. Deleu

                                              






vrijdag 25 oktober 2013

De Hollandse Hippocrates

Abstract De Hollandse Hippocrates,

dr. F. Werner, 1 Oktober 2014

 Pieter van Foreest 1521-1597. 

Zijn grafschrift wordt in 1645 in de Kronyck van Alkmaar als volgt vermeld: "Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het". 
1521 geboren in Alkmaar, volgde hij in 1529 de Latijnse school.
1536-1539 studie medicijnen in Leuven.
1540-1543 studie en praktijk in Bologna.
1543 Promotie tot doctor medicinae op een discussie over klassieke geschriften van Galenus en Hippocrates.
1544-1546 verzamelen van kruiden in Rome, Parijs en en praktijk in Pithiviers.
1546-1557 Praktijk in Alkmaar.
1557-1595 Stadsgeneesheer in Delft, waar hij de pestepidemie bestreed. In de epidemie overleden 6500 van de 25.000 inwoners. De toenmalige geneeskunde zag ziekte als een toestand, die niet overeenstemt met de natuur. De menging van de levensvloeistoffen bloed, gal, water en slijm bepaalt het temperament. Behandeling berust op het tegengaan van onevenwichtigheid van kwaliteiten en humoren. Er was dus geen standaardbehandeling. Beoordeeld moesten worden het huidige en het natuurlijke temperament en de huidige en vroegere levenswijzen. Altijd moest een patiënt in diens eigen omgeving worden beoordeeld. Eerst moesten leefregels, daarna medicatie en daarna pas eventueel chirurgie worden geadviseerd. Hij publiceerde: 1300 ziektegeschiedenissen in 42 boeken, na zijn dood in 1609 gebundeld en uitgegeven als Opera Omnia. Ruim twee eeuwen behoorde dit werk, ook volgens Boerhave in 1729, tot de canon van de medische literatuur. Het bevatte ook 290 literatuurverwijzingen, een voor die tijd een enorm aantal Taak van de stadsgeneesheer: - Behandeling van zieken met onvoldoende middelen. - Adviseren van de overheid door oa. toezicht op apotheken, opleiding van chirurgijnen, toezicht op het waterpeil van de grachten. - contrôle op onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. - voeren van de particuliere praktijk. Contacten met de Prins van Oranje:
1574 Eerste consult in Rotterdam,
10/7/1584 Met Cornelis Buzennius: Sectie en balseming van het stoffelijk overschot . Hij was geen lijfarts van de prins, omdat hij dan zijn functie als stadsgeneesheer van Delft moest opgeven.
8-2-1575 Opening van de Leidse Universiteit waar hij benoemd werd tot doctor en professor in de medicijnen.
 1595 Terug naar Alkmaar. Vrouw en 4 kinderen waren inmiddels overleden. Hij werd geroemd als arts in de traditei van Hippocrates: humaan, zorgvuldig en bescheiden.
https://docs.google.com/viewer?attid=0.1&pid=gmail&thid=141ef7074e98466e&url=https%3A%2F%2Fmail.google.com%2Fmail%2Fu%2F0%2F%3Fui%3D2%26ik%3D1739f76adc%26view%3Datt%26th%3D141ef7074e98466e%26attid%3D0.1%26disp%3Dsafe%26zw&docid=aab7d1dea833cd28ae9b1544a9918665%7Cb3ab78e79ea31bbb9c727d33070c87c0&a=bi&pagenumber=1&w=800

maandag 21 oktober 2013

De ouder wordende huid

Abstract De ouder wordende huid. J.A.C. Alkemade, L.H. van Bergen, dermatologen 2 -10-2013 Fysiologie: De ouder wordende huid kenmerkt zich door verminderde talgproductie (drogere huid en craquelé), elastinedegeneratie (actinische schade) en atrofie (dermatitis). Bestrijding van deze schade kan met: locaal corticoid of teerzalf; goede keuze van de zalf of crême basis, die vet moet zijn; onderhouds-behandeling. De vette basis bestaat bijvoorbeeld uit cetomacrogol, vaseline, eucerine of calmurid (een ureumhoudende crême). Heel goed is om de natte huid na het douchen in te smeren met (niet te) vette douchegel. Benigne afwijkingen : seniele bruine vlekken of plaques. Deze kunnen ook donkerbruin of zwart zijn (angioma senilis, verruca seborrhoica) en kunnen soms met de nagel afgekrabd worden. Therapie: cryotherapie met vloeibare stikstof (geen littekenvorming), electrocoagulatie, shave-excisie, ponsbiopt (littekens!) . De laatste twee maken histologie mogelijk. (Pre-)maligne afwijkingen: BasaalcelCa (70%), PlaveiselcelCa ( 17%), melanoom (11%). Premaligne zijn actinische keratosen. Dit zijn voorlopers van plaveiselcelca. Worden vaak miskend als bijvoorbeeld seborrhoisch eczeem en komen zeer vaak op de aan zon blootgestelde huid voor. De diagnose kan het best gesteld worden door te voelen: ruw en hard oppervlak. Therapie: cryotherapie, tretinocrême 0,02-0.05%, Imiquinoid crême (Aldara), Photodynamische therapie (PDT, werkt overigens niet zoals gezegd werd met ongecontroleerde necrose via blaarvorming maar via door fotosensitizers en licht veroorzaakte radicaalvorming met geprogrammeerde celdood de ‘apoptose’), Efendix crême (5FU)→ in het begin lelijk aspect 3 à 4 weken smeren, Picato crême: 2-5 dagen smeren geeft al na 2 weken een mooi resultaat. BasaalcelCa: Metastaseert bijna nooit. is nodulair, soms sprieterig, gepigmenteerd. 80% in hoofd/hals regio; 40-50 % is gepigmenteerd. Bij 40-50% treedt binnen 5 jaar een volgend BCC op. Risicofactoren: Man 1-1,5x, hoge leeftijd 1-1,4x, blauw-groene ogen 1,2-1,4x, lichte huidskleur 2,3-2,7x, verleden met BCC 17,4x, Xeroderma Pigmentosum >10.000, immuuntherapie (transplantatie-patiënten!) 6,6-21x. Aspect: glanzende rand, vaak gepigmenteerd. Behandeling: Imiquinoidcrême (Aldara), Excisie met Mohs’ micorografische chirurgie (tumor plat slaan, waardoor het hele snijvlak beoordeeld kan worden op aan-/of afwezigheid van tumorcellen, Radiotherapie bij ouderen. Plaveiselcelca: ontstaat vaak uit actinische keratose en bij immunotherapie. Wondgenezing bij ouderen : genezen traag, atrofie maakt hechten moeilijk, daarom denken aan genezing per secundam.

vrijdag 4 oktober 2013


Geachte collegae,

 

Hierbij nodigen wij  u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op

 

                            Woensdag 2 Oktober om 16. 30 uur

               Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114,

                                     tel. 3230359


 

16u30 borrel

!7u00 Voordracht

Onderwerp: De ouder wordende huid.

 

Sprekers: L.H. van Bergen en dr. J.A.C. Alkemade, dermatologen CWZ

 

Menu: Ruime keuze uit de menukaart à € 19,50 pp.

 

Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd na afloop.

 

Met vriendelijke groet, namens het bestuur

 

Roy Go

donderdag 25 juli 2013



 ZOMERBORREL EN DINER
 
woensdag 7 augustus 2013 , 17.00 uur
Hostellerie "Rozenhof "

We starten met een amuse (aangeboden door de VOMS)
Daarna serveren we een hoofdgerecht € 19,50 p.p.
Op tafels zetten we aardappelgarnituren en frietjes.


Uw gasten kunnen kiezen uit de volgende hoofdgerechten:

Tarbotfilet
met tuinkruidensaus
of
Wilde gamba`s
met kreeftensaus
of
Kalfsoester
met cognacsaus
of
“Poulet Noir”
Franse marktkip met saus van kardemom
of
Entrecôte
van de grill met kruidenboter
of
Saffraanrisotto *
Champignons, gepocheerd ei en vers geraspte Parmezaanse kaas

Tijdens de borrel en het diner schenken we onze huiswijnen.

De Hostellerie Rozenhof.


donderdag 6 juni 2013

Abstract De Nederlandse bijdrage aan de Ontwikkeling van de Neurochirurgie in Indonesië 

door A.Keijser, Sajid Darmadipura, J.A.N. van der Spek.  

1 mei 2013
Drie vragen worden besproken :                                                                                                                                                                    - Hoe zijn de Nederlanders in Indonesië gekomen?                                                                                                   - Hoe is de ontwikkeling van de Gezondheidszorg in Indonesië geweest?                                                                   - Hoe is de neurochirurgie in Indonesië tot stand gekomen?
De Nederlanders  zijn met Cornelis de Houtman (1565-1599) voor het eerst in 1596 naar Indië ge-gaan, omdat  zij door een blokkade van Lissabon door Philips II, aldaar  geen specerijen meer konden kopen van de Portugezen, die al lang in het Oosten van Indië hun contacten hadden. De VOC werd opgericht in 1602 met een hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg een octrooi op de specerijenhandel als staatsbedrijf. Vanaf die tijd vestigde zich de VOC in Indië waar de Portugezen werden verdrongen . Toen In 1798 de VOC failliet ging werd het bewind daar  overgenomen door de Bataafse Republiek en vervolgens later , in 1813, door het Koninkrijk der Nederlanden.
De gezondheidszorg vond in Indië op 3 niveaus plaats: de Indonesische geneeskunde werd beoefend door kruidendokters (Doekoens),m.b.v. massage en bezweringen, door  Chinese artsen  met diag-nostiek door voelen van de pols en behandeling met kruiden en acupunctuur en door de Europese chirurgijns, die aanvankelijk als scheepschirurgijn meekwamen, maar later ook verbonden waren aan de versterkte plaatsen van de VOC. Echte doctores medicinae kwamen zelden naar Indië.  Een uitzon-dering was Jacob  Bontius die in de 17de eeuw een zestal jaren daar verbleef en ook een geneeskun-dige verhandeling schreef.  Wouter Schouten monsterde in 1658  als chirurgijn aan op een schip van de VOC. Terug in Haarlem  schreef hij later op grond van zijn ervaringen een uitgebreide verhande-ling over traumatische schedel-hersenletsels.   Later werden de chirurgijns vervangen door officieren van gezondheid, opgeleid op de Rijkskweekschool voor Militaire geneeskunde, eerst in Leiden, later in Amsterdam. Inmiddels was in 1830 het KNIL opgericht. Er was weinig aandacht voor de gezond-heidszorg voor de inlandse bevolking totdat in de 19de eeuw omvangrijke epidemieën de noodzaak daarvan duidelijk maakten. In 1850  werden er in Nederlandsch Oost Indië  de volgende aantallen gezondheidswerkers geteld;  11.421 doekoens, 268 chinese artsen, 128 militaire officieren van Ge-zondheid en 29 civiele artsen. Willem Bosch (1818-1854), kolonel arts en hoofd van de Militair Ge-neeskundige Dienst,organiseerde  in 1850 een opleiding voor inlandse vaccinateurs en inlandse ge-neeskundigen( dokter Djawa), die Indonesisch gekleed dienden te blijven en zo een brug konden vor-men naar de inlandse bevolking, die argwanend stond t.o.v. de Westerse Geneeskunde. Er waren in die tijd 3 grotere militaire hospitalen , n.l. in Batavia, Semarang en Surabaja. De opleiding   van de inlandse geneeskundigen vond plaats in het Militair Hospitaal in Weltevreden met Officieren van Gezondheid als leraren. De duur van de opleiding was aanvankelijk 2 jaar, later 5, en uiteindelijk 7 jaar.  De uitbreiding van het medische onderwijs ging gestaag:1853 de Dokter Djawa school:  rond 1900 de STOVIA ( School tot Opleiding van Inlandse Artsen), 1920 de Centrale Burgerlijke Zieken-inrichting ( nu Academisch ziekenhuis), met daarnaast het nieuwe STOVIA gebouw dat in 1927 tot Geneeskundige Hoogeschool word getransformeerd , en nu sinds 1950  de faculteit voor Genees-kunde huisvest.  Het Eijkman Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Bacteriologie,op het-zelfde terrein,  functioneert ook nu nog, zij het met een andere taakstelling.                                                                                                                                          In 1913 werd in Soerabaya de NIAS (Ned.Indische Artsen School ) opgericht met eenzelfde doelstel-ling als de Stovia in Batavia. Ook deze instelling heeft zich tot medische faculteit ontwikkeld ( van de Airlangga Universiteit)  (onze co-auteur Sajid is hier na zijn emeritaat als hoogleraar neurochirurgie, ook nu nog actief als leerstoelhouder in de Medische Ethiek). Het CBZ van  Surabaya , dat oorspron-kelijk gelegen was op  Simpang, werd later verplaatst en heet thans het  Akademisch  Dr. Sutomo ziekenhuis.   Nadat sinds 1906 er subsidiemogelijkheden ontstonden ter ondersteuning van het stichten van particuliere (lees: missie en zendings-) ziekenhuizen, is het aantal ziekenhuizen dat ook ter beschikking van de Inlandse bevolking stond  aanzienlijk toegenomen. Ook de aan onderneming-en (zoals plantages ) verbonden ziekenhuizen mogen niet onvermeld blijven.  Gedurende de Japanse bezetting van 1942 – 1945   werd het leeuwendeel van de geneeskundige zorg verricht door Indone-sisch medisch personeel, vaak onder leiding van Japanners.                                                                              Op 17-8-1945  volgde de onafhankelijkheids verklaring van Indonesië door  Sukarno en Hatta.  De neuropsychiater Van Wulfften Palthe die vanaf 1930 in Batavia  als zenuwarts had gewerkt,  en C.H. van Lenshoek, die zelf geboren was in Semarang en als neurochirurg in Amsterdam werkte, maakten in 1945 een plan om te voorzien in neurochirurgische zorg in Indonesië. In Nederland had de neuro-loog Brouwer in 1929 de neurochirurgie geïntroduceerd in Amsterdam. In het Prinses Margriet Hos-pitaal te Batavia /Jakarta werd in 1948 een neurochirurgische afdeling opgericht.  Binnen de Neuro-chirurgische Studie Club werd door de daar vergaderde Nederlandse neurochirurgen besloten dat van de tot dan toe in Nederland opgeleide   neurochirurgen er bij   toerbeurt  steeds 1 neurochirurg 6 maanden naar Indonesië zou gaan,om daar te voorzien in de neurochirurgische zorg.  Deze voor-ziening heeft  van 1948 tot en met 1953 ( dus ook na de soevereiniteitsoverdracht  op 27 December 1949) goed voldaan. Verder werd  er een afspraak gemaakt om intussen Indonesische artsen in Nederland op te leiden tot neurochirurg, zodat die nadien deze taak op zich zouden kunnen nemen.
De eerste Indonesische arts die werd opgeleid was Handoyo die van 1948 tot 1952 werd opgeleid door Dr Arnold de Vet In de St. Ursula Kliniek te Wassenaar, en die in 1953 als eerste Indonesische neurochirurg te Jakarta ging werken. Van 1954 tot 1958 werd  Basoeki Wirdjowidjojo opgeleid door Sjel de Grood  In het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg. Dr Basoeki werd vervolgens de eerste neuro-chirurg, die in Surabaya de neurochirurgie voor Oost Indonesië zou gaan ontwikkelen. Tussen 1962 en 1969 werden In Groningen in het Algemeen Provinciaals, Stads en Academisch Ziekenhuis door Lenshoek , en later door Jan Beks, drie Indonesische neurochirurgen opgeleid; Oen , Gwan Go, en Padmosantjojo. Van deze drie is alleen Padmosantjojo naar Indonesië terug gekeerd waar hij in Jakarta ging werken. In het Neurochirurgische Centrum Nijmegen werden o.l.v. Fons Walder vier neurochirurgen voor Indonesie opgeleid ; Sajid Darmadipura (1971 – 1975) ,Umar Kasan (1975 – 1979) , Hafid Bajamal (1979 – 1983), en Paulus Sudiharto, die in 1979 een stage van één jaar liep als aanvulling op zijn opleiding door Handoyo in Jakarta. Nadat de Ursula Kliniek te Wassenaar verhuisd was naar de Westeinde Kliniek te Den Haag kwam daar van 1981 -1982 Abdul Gofar Sastrodiningrat , die bij Iskarno was opgeleid in Bandung, voor een stage van een jaar bij Martin van Duinen. In 1989 liep Endro Basuki Sadjiman een stage van één jaar bij Guus van Alphen in het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Naast deze negen neurochirurgen die na hun terugkeer naar  Indonesië de neurochirurgie in hun vaderland verder hebben ontwikkeld, werden nog vijf Indonesische neurochirurgen opgeleid , die , tegen de bedoeling in , na hun opleiding in Nederland bleven; Karel Lie (Tilburg), Indra Tjaha (Slotervaart Amsterdam);Gwan Go (Groningen);Oen (Groningen); Gjap Tan (Neuroradiologie Tilburg).
Sinds 1984 bestaat er een Indonesische Neurochirurgische Vereniging en  worden de neurochirurgen in Indonesië zelf opgeleid. Na hun basisopleiding wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van buiten-landse stages en fellowships voor het verwerven van de modernste vaardigheden en technieken. Er zijn Inmiddels in Indonesië vier erkende  neurochirurgische  opleidingscentra centra;  Jakarta, Surabaja, Bandung en Medan.
 Er zijn nu 174 neurochirurgen werkzaam in Indonesië in 32 steden verdeeld over de gehele archipel; desondanks bestaat er nog steeds een onderbezetting: 1 neurochirurg op 1.400.000 inwoners ( in Nl 1/141.800). Sinds 1990 is er jaarlijks een nascholingscursus van de Dutch Foundation for post-graduate Medical Courses in Indonesia, waarvoor het initiatief in 1986 werd genomen door Prins Claus en de Groningse neurochirurg Jan Beks.
I.H. Go, notulist. / A.Keyser


Abstract De Nederlandse bijdrage aan de Ontwikkeling van de Neurochirurgie in Indonesië

door A.Keijser, Sajid Darmadipura, J.A.N. van der Spek. 

1 mei 2013

Drie vragen worden besproken :                                                                                                                                                                    - Hoe zijn de Nederlanders in Indonesië gekomen?                                                                                                   - Hoe is de ontwikkeling van de Gezondheidszorg in Indonesië geweest?                                                                   - Hoe is de neurochirurgie in Indonesië tot stand gekomen?
De Nederlanders  zijn met Cornelis de Houtman (1565-1599) voor het eerst in 1596 naar Indië ge-gaan, omdat  zij door een blokkade van Lissabon door Philips II, aldaar  geen specerijen meer konden kopen van de Portugezen, die al lang in het Oosten van Indië hun contacten hadden. De VOC werd opgericht in 1602 met een hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg een octrooi op de specerijenhandel als staatsbedrijf. Vanaf die tijd vestigde zich de VOC in Indië waar de Portugezen werden verdrongen . Toen In 1798 de VOC failliet ging werd het bewind daar  overgenomen door de Bataafse Republiek en vervolgens later , in 1813, door het Koninkrijk der Nederlanden.
De gezondheidszorg vond in Indië op 3 niveaus plaats: de Indonesische geneeskunde werd beoefend door kruidendokters (Doekoens),m.b.v. massage en bezweringen, door  Chinese artsen  met diag-nostiek door voelen van de pols en behandeling met kruiden en acupunctuur en door de Europese chirurgijns, die aanvankelijk als scheepschirurgijn meekwamen, maar later ook verbonden waren aan de versterkte plaatsen van de VOC. Echte doctores medicinae kwamen zelden naar Indië.  Een uitzon-dering was Jacob  Bontius die in de 17de eeuw een zestal jaren daar verbleef en ook een geneeskun-dige verhandeling schreef.  Wouter Schouten monsterde in 1658  als chirurgijn aan op een schip van de VOC. Terug in Haarlem  schreef hij later op grond van zijn ervaringen een uitgebreide verhande-ling over traumatische schedel-hersenletsels.   Later werden de chirurgijns vervangen door officieren van gezondheid, opgeleid op de Rijkskweekschool voor Militaire geneeskunde, eerst in Leiden, later in Amsterdam. Inmiddels was in 1830 het KNIL opgericht. Er was weinig aandacht voor de gezond-heidszorg voor de inlandse bevolking totdat in de 19de eeuw omvangrijke epidemieën de noodzaak daarvan duidelijk maakten. In 1850  werden er in Nederlandsch Oost Indië  de volgende aantallen gezondheidswerkers geteld;  11.421 doekoens, 268 chinese artsen, 128 militaire officieren van Ge-zondheid en 29 civiele artsen. Willem Bosch (1818-1854), kolonel arts en hoofd van de Militair Ge-neeskundige Dienst,organiseerde  in 1850 een opleiding voor inlandse vaccinateurs en inlandse ge-neeskundigen( dokter Djawa), die Indonesisch gekleed dienden te blijven en zo een brug konden vor-men naar de inlandse bevolking, die argwanend stond t.o.v. de Westerse Geneeskunde. Er waren in die tijd 3 grotere militaire hospitalen , n.l. in Batavia, Semarang en Surabaja. De opleiding   van de inlandse geneeskundigen vond plaats in het Militair Hospitaal in Weltevreden met Officieren van Gezondheid als leraren. De duur van de opleiding was aanvankelijk 2 jaar, later 5, en uiteindelijk 7 jaar.  De uitbreiding van het medische onderwijs ging gestaag:1853 de Dokter Djawa school:  rond 1900 de STOVIA ( School tot Opleiding van Inlandse Artsen), 1920 de Centrale Burgerlijke Zieken-inrichting ( nu Academisch ziekenhuis), met daarnaast het nieuwe STOVIA gebouw dat in 1927 tot Geneeskundige Hoogeschool word getransformeerd , en nu sinds 1950  de faculteit voor Genees-kunde huisvest.  Het Eijkman Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Bacteriologie,op het-zelfde terrein,  functioneert ook nu nog, zij het met een andere taakstelling.                                                                                                                                          In 1913 werd in Soerabaya de NIAS (Ned.Indische Artsen School ) opgericht met eenzelfde doelstel-ling als de Stovia in Batavia. Ook deze instelling heeft zich tot medische faculteit ontwikkeld ( van de Airlangga Universiteit)  (onze co-auteur Sajid is hier na zijn emeritaat als hoogleraar neurochirurgie, ook nu nog actief als leerstoelhouder in de Medische Ethiek). Het CBZ van  Surabaya , dat oorspron-kelijk gelegen was op  Simpang, werd later verplaatst en heet thans het  Akademisch  Dr. Sutomo ziekenhuis.   Nadat sinds 1906 er subsidiemogelijkheden ontstonden ter ondersteuning van het stichten van particuliere (lees: missie en zendings-) ziekenhuizen, is het aantal ziekenhuizen dat ook ter beschikking van de Inlandse bevolking stond  aanzienlijk toegenomen. Ook de aan onderneming-en (zoals plantages ) verbonden ziekenhuizen mogen niet onvermeld blijven.  Gedurende de Japanse bezetting van 1942 – 1945   werd het leeuwendeel van de geneeskundige zorg verricht door Indone-sisch medisch personeel, vaak onder leiding van Japanners.                                                                              Op 17-8-1945  volgde de onafhankelijkheids verklaring van Indonesië door  Sukarno en Hatta.  De neuropsychiater Van Wulfften Palthe die vanaf 1930 in Batavia  als zenuwarts had gewerkt,  en C.H. van Lenshoek, die zelf geboren was in Semarang en als neurochirurg in Amsterdam werkte, maakten in 1945 een plan om te voorzien in neurochirurgische zorg in Indonesië. In Nederland had de neuro-loog Brouwer in 1929 de neurochirurgie geïntroduceerd in Amsterdam. In het Prinses Margriet Hos-pitaal te Batavia /Jakarta werd in 1948 een neurochirurgische afdeling opgericht.  Binnen de Neuro-chirurgische Studie Club werd door de daar vergaderde Nederlandse neurochirurgen besloten dat van de tot dan toe in Nederland opgeleide   neurochirurgen er bij   toerbeurt  steeds 1 neurochirurg 6 maanden naar Indonesië zou gaan,om daar te voorzien in de neurochirurgische zorg.  Deze voor-ziening heeft  van 1948 tot en met 1953 ( dus ook na de soevereiniteitsoverdracht  op 27 December 1949) goed voldaan. Verder werd  er een afspraak gemaakt om intussen Indonesische artsen in Nederland op te leiden tot neurochirurg, zodat die nadien deze taak op zich zouden kunnen nemen.
De eerste Indonesische arts die werd opgeleid was Handoyo die van 1948 tot 1952 werd opgeleid door Dr Arnold de Vet In de St. Ursula Kliniek te Wassenaar, en die in 1953 als eerste Indonesische neurochirurg te Jakarta ging werken. Van 1954 tot 1958 werd  Basoeki Wirdjowidjojo opgeleid door Sjel de Grood  In het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg. Dr Basoeki werd vervolgens de eerste neuro-chirurg, die in Surabaya de neurochirurgie voor Oost Indonesië zou gaan ontwikkelen. Tussen 1962 en 1969 werden In Groningen in het Algemeen Provinciaals, Stads en Academisch Ziekenhuis door Lenshoek , en later door Jan Beks, drie Indonesische neurochirurgen opgeleid; Oen , Gwan Go, en Padmosantjojo. Van deze drie is alleen Padmosantjojo naar Indonesië terug gekeerd waar hij in Jakarta ging werken. In het Neurochirurgische Centrum Nijmegen werden o.l.v. Fons Walder vier neurochirurgen voor Indonesie opgeleid ; Sajid Darmadipura (1971 – 1975) ,Umar Kasan (1975 – 1979) , Hafid Bajamal (1979 – 1983), en Paulus Sudiharto, die in 1979 een stage van één jaar liep als aanvulling op zijn opleiding door Handoyo in Jakarta. Nadat de Ursula Kliniek te Wassenaar verhuisd was naar de Westeinde Kliniek te Den Haag kwam daar van 1981 -1982 Abdul Gofar Sastrodiningrat , die bij Iskarno was opgeleid in Bandung, voor een stage van een jaar bij Martin van Duinen. In 1989 liep Endro Basuki Sadjiman een stage van één jaar bij Guus van Alphen in het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Naast deze negen neurochirurgen die na hun terugkeer naar  Indonesië de neurochirurgie in hun vaderland verder hebben ontwikkeld, werden nog vijf Indonesische neurochirurgen opgeleid , die , tegen de bedoeling in , na hun opleiding in Nederland bleven; Karel Lie (Tilburg), Indra Tjaha (Slotervaart Amsterdam);Gwan Go (Groningen);Oen (Groningen); Gjap Tan (Neuroradiologie Tilburg).
Sinds 1984 bestaat er een Indonesische Neurochirurgische Vereniging en  worden de neurochirurgen in Indonesië zelf opgeleid. Na hun basisopleiding wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van buiten-landse stages en fellowships voor het verwerven van de modernste vaardigheden en technieken. Er zijn Inmiddels in Indonesië vier erkende  neurochirurgische  opleidingscentra centra;  Jakarta, Surabaja, Bandung en Medan.
 Er zijn nu 174 neurochirurgen werkzaam in Indonesië in 32 steden verdeeld over de gehele archipel; desondanks bestaat er nog steeds een onderbezetting: 1 neurochirurg op 1.400.000 inwoners ( in Nl 1/141.800). Sinds 1990 is er jaarlijks een nascholingscursus van de Dutch Foundation for post-graduate Medical Courses in Indonesia, waarvoor het initiatief in 1986 werd genomen door Prins Claus en de Groningse neurochirurg Jan Beks.
I.H. Go, notulist. / A.Keyser


zaterdag 27 april 2013


Abstract
  Het verlenen van zorg onder bijzondere omstandigheden.

  C. Bakker, regionaal OTO-Zirop Coördinator.  
dd 3 april 2013.

In een ziekenhuis kan zorg tekort schieten als; incident ( beheersbaar), calamiteit (met letsel/schade), ramp (hulpverleningscapaciteit onvoldoende)of crisis (ernstige ontwrichting). Alle vier verstoren het dagelijks programma van zorg.                                                                                                                                           De verstoringen kunnen optreden door externe calamiteiten: Mechanisch (bijv. scheeps- , verkeers- of industriële rampen.; CBRN: (Chemisch, Biologisch, Radioactief , Nucleair) ; Thermisch met meerde-re slachtoffers; andere letsels, die leiden tot ernstige disbalans tussen zorgvraag en -aanbod  De ge-volgen kunnen groot zijn, het verloop steeds anders en niet te voorspellen en de dagelijkse gang van zaken wordt overhoop gegooid. Voorbeelden zijn de vliegtuigramp Bijlmer in 1992, de hittegolf tij-dens de 4-daagse in  2006 en het treinongeval in Amsterdam in 2011.                                                                       Calamiteiten kunnen ook intern gebeuren: Brand, uitbraak van infectieziekte, incident met gevaar-lijke stoffen, uitval infrastructuur (gas, elektriciteit, ICT), bommelding, bedrijfsongeval. Voorbeelden in het CWZ: stroomuitval, ICT uitval, grote waterlekkage, zuurlekkage, uitval dect- telefonie.
Waarom een calamiteitenplan?  De kwaliteitswet zorginstellingen en de BIG eisen voorbereidingen om onder alle omstandigheden verantwoorde zorg te bieden en continuïteit van zorg te waarborgen. Volgens de  leidraad COBRA moet per zorginstelling minimaal geregeld zijn dat : Hoe de zorg is te prioriteren en de continuïteit te waarborgen; alle medewerkers weten wat hun taken zijn bij een calamiteit; vitale processen moeten in kaart gebracht zijn; er moet centraal toezicht zijn op actuele zorgvraag en -aanbod.   Het crisisbeheersingsplan treedt in werking als de continuïteit van zorg in gevaar komt. Cruciaal vitale processen zijn sluiting van afdelingen, groot aanbod van patiënten, verplaatsen van patiënten, tekort aan personeel, uitval van nutsvoorzieningen, apparatuur en ICT middelen, logistieke stagnatie, uitbraak infectieziekten. Het toezicht wordt uitgevoerd door een cri-sismanager. Deze is verantwoordelijk voor bestrijding  van de interne calamiteit, aansturen van de organisatie bij opvang van rampenslachtoffers, beperking van de negatieve gevolgen van de calami-teit. Deze functie wordt uitgevoerd door de diensdoende manager bedrijfsvoering zorg en heeft een strakke hiërarchische structuur (1 kapitein op het dek).
Planvorming is goed, maar hoe kun je beoordelen hoe we als organisatie voldoende zijn voorbereid om onze taak uit te voeren in dergelijke situatie? Om te bereiken dat bij medewerkers  de benodigde awereness wordt gekweekt en dat ze weten wat  ze moeten tijdens een incident of ramp is scholing, training en oefening noodzakelijk.   Na een periode van voorbereiding heeft er dan op 10 november 2012 dan ook een grootschalige ramp oefening plaatsgevonden, waar naast het CWZ ook de SMK, het UMCN , gemeente Nijmegen en defensie gezamenlijk hebben geoefend. 
Notulist  I. H. Go


Abstract 

Het verlenen van zorg onder bijzondere omstandigheden


C. Bakker
regionaal OTO-Zirop Coördinator.  dd 3 april 2013.

In een ziekenhuis kan zorg tekort schieten als; incident ( beheersbaar), calamiteit (met letsel/schade), ramp (hulpverleningscapaciteit onvoldoende)of crisis (ernstige ontwrichting). Alle vier verstoren het dagelijks programma van zorg.                                                                                                                                           De verstoringen kunnen optreden door externe calamiteiten: Mechanisch (bijv. scheeps- , verkeers- of industriële rampen.; CBRN: (Chemisch, Biologisch, Radioactief , Nucleair) ; Thermisch met meerde-re slachtoffers; andere letsels, die leiden tot ernstige disbalans tussen zorgvraag en -aanbod  De ge-volgen kunnen groot zijn, het verloop steeds anders en niet te voorspellen en de dagelijkse gang van zaken wordt overhoop gegooid. Voorbeelden zijn de vliegtuigramp Bijlmer in 1992, de hittegolf tij-dens de 4-daagse in  2006 en het treinongeval in Amsterdam in 2011.                                                                       Calamiteiten kunnen ook intern gebeuren: Brand, uitbraak van infectieziekte, incident met gevaar-lijke stoffen, uitval infrastructuur (gas, elektriciteit, ICT), bommelding, bedrijfsongeval. Voorbeelden in het CWZ: stroomuitval, ICT uitval, grote waterlekkage, zuurlekkage, uitval decttelefonie.
Waarom een calamiteitenplan?  De kwaliteitswet zorginstellingen en de BIG eisen voorbereidingen om onder alle omstandigheden verantwoorde zorg te bieden en continuïteit van zorg te waarborgen. Volgens de  leidraad COBRA moet per zorginstelling minimaal geregeld zijn dat : Hoe de zorg is te prioriteren en de continuïteit te waarborgen; alle medewerkers weten wat hun taken zijn bij een calamiteit; vitale processen moeten in kaart gebracht zijn; er moet centraal toezicht zijn op actuele zorgvraag en -aanbod.   Het crisisbeheersingsplan treedt in werking als de continuïteit van zorg in gevaar komt. Cruciaal vitale processen zijn sluiting van afdelingen, groot aanbod van patiënten, verplaatsen van patiënten, tekort aan personeel, uitval van nutsvoorzieningen, apparatuur en ICT middelen, logistieke stagnatie, uitbraak infectieziekten. Het toezicht wordt uitgevoerd door een crisismanager. Deze is verantwoordelijk voor bestrijding  van de interne calamiteit, aansturen van de organisatie bij opvang van rampenslachtoffers, beperking van de negatieve gevolgen van de calamiteit. Deze functie wordt uitgevoerd door de dienstdoende manager bedrijfsvoering zorg en heeft een strakke hiërarchische structuur (1 kapitein op het dek).
Planvorming is goed, maar hoe kun je beoordelen hoe we als organisatie voldoende zijn voorbereid om onze taak uit te voeren in dergelijke situatie? Om te bereiken dat bij medewerkers  de benodigde awereness wordt gekweekt en dat ze weten wat  ze moeten tijdens een incident of ramp is scholing, training en oefening noodzakelijk.   Na een periode van voorbereiding heeft er dan op 10 november 2012 dan ook een grootschalige ramp oefening plaatsgevonden, waar naast het CWZ ook de SMK, het UMCN , gemeente Nijmegen en defensie gezamenlijk hebben geoefend. 
Notulist  I. H. Go

donderdag 28 maart 2013


                                                                                                                                               

 Nijmegen, 28/03/2013


Geachte collegae,

Hierbij nodigen wij  u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
                          Woensdag 3 April om 16. 30 uur

Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359


Onderwerp:  16u30 borrel vooraf                                                                                   

17.00 uur "Het verlenen van zorg onder bijzondere omstandigheden ".

 Spreker: C. Bakker, regionaal OTO-Zirop Coördinator


Als u mee wilt eten, zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk). Alle prijzen € 19,50:
1. Vlees: Kalfsoester,Bospaddestoelen, ratatouille, cognac-pepersaus
2. Vis: Vispannetje; diverse vissoorten en gamba's gestoofd in spinazie-roomsaus
3.Vegetarisch: Ravioli met bospaddestoelen ,Balsamicistroop, verse groenten van de dag

*Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop.

Met vriendelijke groet, namens het bestuur

Roy Go 

vrijdag 15 maart 2013

Abstract
Het collegie van Meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns- kamer te Nijmegen. 

Dr. J.A.N. van der Spek

6/3/2013.

 Het castellum van de Romeinen wordt 300 na Chr. door de Franken bezet, waarna het Christendom met hulp van de bisschop van Keulen Kunibert wordt verspreid en in 625 een kerk wordt gebouwd, vernoemd naar de Heilige Stephanus. in de 12e eeuw wordt de Commanderie van St Jan gebouwd. In 1249 werpt Otto II (1215-1271), graaf van Gelre een wal rond het fort op. Omdat de Stevens kerk hierbij in de weg stond, werd deze afgebroken en in overleg met Conradus, aartsbisschop van Keulen (1198-1201) op de huidige plaats herbouwd. De kerk werd door Albertus Magnus ,wijbisschop van Keulen in 1280 ingewijd. In de 14e-15e eeuw vestigde zich de handel op en rond de Hundisberg. Op het plein voor de vleeshal en de ook in de 2e helft van de 14e eeuw gebouwde Laeckenhal werd een groentemarkt gehouden. De Laeckenhal was 50 meter lang en de ruimte beneden werd verhuurd aan kooplieden. Daarboven was de hal, waar stoffen werden geverfd. De blauwe verf hiervoor was niet afwasbaar en de werklieden dronken hun bier in Café de Blauwe Hand. In de hal werden oa. Jacoba van Beieren (1401-1436) gravin van Holland-Henegouwen en Arnold van Egmond, hertog van Gelre ont-vangen. De Lakenhal werd echter bouwvallig en werd op de begane grond afgesloten en ondersteund met mu-ren. In 1551 werden aan de voorzijde 2 gothische bogen gebouwd en achter 1 boog als toegang tot de kerk. Daarna werden boven op de hal nog 2 verdiepingen gebouwd en in 1607 een torentje met een wenteltrap met een leuning gehouwen uit een 7 meter hoge boomstam. De ruimte op de 1e verdieping werd in 1613 toegewe-zen aan de chirurgijns. In 1382 start het archief van Nijmegen, waarin te lezen is dat vanaf dat moment zich chi-rurgijnen vestigden, waarvan de kwaliteit nogal wisselde. Daarom werd in 1611 een examen ingesteld, af te leggen bij een stadsgeneesheer o.a. moest de candidaat aantonen dat hij in een schedel met een trepanatie-boor boorgaten kon maken. Ook was er een skelet te zien, door Emanuel de Mandeville in Leiden geprepareerd uit een dood lichaam. In 1655 werd de Latijnse school verheven tot Illustere school en in 1656 ont-stond de universiteit. Aan de universteit konden chirurgijns promoveren tot arts. Colleges werden in de Commanderie van St. Jan gegeven oa. door de stadsarts Emanuel de Mandeville. Het anatomisch onderwijs werd gegeven in de chirurgijnskamer op vreemdelingen. die in het gasthuis overleden. De kamer werd verlicht door een kroon-luchter, waarin een gat werd gemaakt voor de beluchting. De orde werd gehandhaafd met boetes. Zo werd het trekken van een mes tijdens een vergadering beboet met 12 Carolusguldens; een ander werd voor het tegen de grond werken van een bestuurslid geschorst en moest zijn scheerbekken inleveren, waardoor hij brodeloos werd. (chirurgijns verdienden hun brood door als barbier te knippen en te scheren De jaarvergadering vond plaats op de ver-jaardag van Cosmas en Damianus beschermheiligen van het gilde. De examens voor chirurgijns wer-den van 1611 - 1798 afgenomen. ). Bij de examenuitslag moest de geslaagde een diner geven met wijn. In 1635-36 was er een pestepidemie, die door slechts één chirurgijn werd overleefd. Uit Den Haag kwam toen een chirurgijn Hendrik Schadborne, die toch nog examen moest afleggen. Hij kocht een huis op de Grote Markt en later ook nog een huis voor zijn broer, die zich hier als onderwijzer vestigde. Na het examen mochten de chirurgijns alleen een amputatie of een trepanatie verrichten onder toezicht van de stadsarts. Hendrik schond deze regel regelmatig en werd daarvoor ook be-boet. Bij Filips van Nassau, de zoon van een bastaard van Wil-lem van Oranje, bewoner van het kas-teel Wijchen, stelde hij na een val van diens paard de diagnose intracra-nieel hematoom. Deze diag-nose werd bevestigd na de 27e trepanatie, toen het bloed uit het boorgat spoot. Filips schreef hier-voor een getuigschrift. Uit de discussie bleek nog dat de vaak genoemde vogelsnavel, die door geneeskundigen bij een pestepidemie zou worden gedragen om besmetting te voorkomen, niet hiervoor werd gebruikt, maar alleen toepassing vond als carnavals masker in Venetië. Roy Go, notulist.

donderdag 28 februari 2013

Nijmegen, 26/02/2013
Geachte collegae,
 Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op

Woensdag 6 Maart om 16. 30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359

16u30 - 17.00 uur borrel

"Het Collegie van meystere van Chirurgijne ende Barbiere en de chirurgijns-kamer te Nijmegen".
Spreker: Dr. J.A.N. van der Spek

Als u mee wilt eten, zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk). Alle prijzen € 19,50: 1. Vispannetje Div. vissoorten en gamba's gestoofd in spinazie-roomsaus
2. Limburgse varkenshaas Gestoofde venkel, champignons, mosterdsaus.
3.Vegetarisch: Vegetarische lasagne Artisjok, aubergine, courgette en bechamelsaus

 *Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop. Met vriendelijke groet, namens het bestuur Roy Go

woensdag 30 januari 2013

Nijmegen, 29/01/2013
 Geachte collegae,
 Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op

Woensdag 6 Februari om 16. 30 uur
16u30 borrel 17.00 uur 
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359

 Voordracht: 

"Het raadsel pijn verder ontrafeld" 
 Spreker: Prof. dr. B. Crul 

Als u mee wilt eten, zijn er de volgende suggesties (keuze uit de kaart is ook mogelijk}:
1.Spies met gegrilde gamba's, groene asperges en saus van gepofte knoflook €19,50
2. Filet Mignon (ossenhaas) met bospaddenstoelen en snijbonen met spek en ui, portsaus €19,50
3. Vegetarisch: Risotto van eekhoorntjesbrood met paddenstoelen, crème fraiche en bosui met vers geraspte Parmezaan €19,50

 Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (vis/vlees/vegetarisch) na afloop. Met vriendelijke groet, namens het bestuur Roy Go

maandag 14 januari 2013

In Memoriam Wim H.A.M. de Groot gynaecoloog
 

 2 dec 1924 - 7 jan 2013. 

 Veertien januari 2013 namen wij afscheid van Wim de Groot, gynaecoloog in het CWZ van 1 januari 1972 tot 1 februari 1990. Een prachtig en ontroerend afscheid, maar dat heeft Wim ook meer dan verdiend.
                                Wim werd geboren in Leiden, en verloor als jongen van 8 en 10 jaar zijn vader en moeder, en hij werd bij ooms en tantes opgevoed. Zijn middelbare school bracht hij door op het bisschoppelijk college in Rolduc, en heer-ooms maakten het voor hem mogelijk in Utrecht geneeskunde te kunnen gaan studeren. Dat jong wees te zijn geworden heeft zijn verdere leven inhoud en richting gegeven, Wim ging leven en werken voor de ander, niet voor zich zelf. Zo vaak verhaalde hij over deze jonge jaren. Na het behalen van zijn artsenbul ging Wim naar Nieuw Guinea, later naar Afrika, tien jaar werkte hij in deze landen als allround tropenarts. In 1964 kwam hij terug in Nederland en besloot hij de gynaecologie opleiding te gaan volgen, waarna hij chef de clinique werd in het Canisius Ziekenhuis te Nijmegen, op 1 januari 1972 werd hij aangesteld als gynaecoloog staflid.  
Wim leerde ik,-jong assistentje nog,- op 1 november 1971 kennen, hij werd mijn opleider en op 1 juli 1977 mijn associe. Ik denk dat ik mag zeggen dat ik Wim goed gekend heb: ruim 41 jaar, en daarom kan ik ook zeggen wat Wim voor de ander was. Nooit ben ik in mijn leven een man tegengekomen die zo aarts trouw is, een man die ik niet een keer in deze jaren kwaad heb horen spreken over een ander, niet een keer heeft Wim een gemene streek uitgehaald, steeds loyaal, nooit aflatende zorg voor zijn patienten en ook voor zijn medewerkers, een man die geloofde in het goede. Wanneer hem onrecht werd aangedaan kon Wim zich niet goed verdedigen, dat paste niet bij hem. Wim eiste nooit de eerste plaats op, hij werkte op de achtergrond het hardste van ons allemaal, en kwam notabene je ook nog vragen of je het goed vond dat hij om half zeven 's avonds "al" naar huis ging. Trots was Wim op zijn echtgenote Jeanny, op zijn kinderen, hij kon ons, maar ook de patienten ,zo graag vertellen over "die apen", wat ze nu allemaal weer hadden uitgehaald. Na zijn vertrek werd hij gemist door zijn patienten, zo had alleen Wim alle nonnetjes uit Nijmegen en omgeving met gynaecologische problemen onder behandeling, zorgde hij voor de meisjes op de instelling Maria Roepaan in Ottersum, en op de afdeling had hij oprechte belangstelling voor het wel en wee van alle medewerkers. Zijn grote angst was niet oud te zullen worden, ik ben dankbaar dat wij Wim zo lang in ons midden hebben gehad.

 Wilfried B.K.M.V. de Goeij