Gepost woensdag 11 juni 2014
Agenda 2026
In juli en augustus géén bijeenkomst
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.
2 september Martin Schuurmans: Paranormale verschijnselen
7 oktober Theo Voorn: Gehoorapparaten
4 november Gert van Dijk: titel volgt
2 december nog onzeker.
Blogarchief
donderdag 3 juli 2014
woensdag 11 juni 2014
zaterdag 17 mei 2014
maandag 28 april 2014
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag
7 Mei om 16.30 uur
Hostellerie Rozenhof,
Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
Onderwerp:
Behandeling van parastomale breuken; op het
breukvlak van de breukchirurgie
Spreker: Dr. BiBi Hansson,
chirurg CWZ
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u
komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
donderdag 3 april 2014
donderdag 27 maart 2014
Beste leden van de VOS, Hierbij de invitatie voor onze bijeenkomst. Collega Dofferhoff is zoals u bekend internist, gespecialiseerd in infectieziekten. Het onderwerp, dat hij zal behandelen heeft zijn speciale belangstelling. Als u nog van plan bent een reis naar het (midden-)oosten, Afrika of Zuid-Amerika te maken, zal dot inderwerp ook voor u interessant zijn. Komt dus allen. Met vriendelijke groet. Roy Go
Beste leden van de VOS, Hierbij de invitatie voor onze bijeenkomst. Collega Dofferhoff is zoals u bekend internist, gespecialiseerd in infectieziekten. Het onderwerp, dat hij zal behandelen heeft zijn speciale belangstelling. Als u nog van plan bent een reis naar het (midden-)oosten, Afrika of Zuid-Amerika te maken, zal dot inderwerp ook voor u interessant zijn. Komt dus allen. Met vriendelijke groet. Roy Go
woensdag 19 februari 2014
Abstract
Van wie ben ik er één?
Dr. J.W.J. van der Stappen ,
klinisch chemicus CWZ.
dd. 7 Februari 2014.
DNA typering is onontbeerlijk voor het opsporen van familierelaties en kan een belangrijke rol spelen in de forensische diensten. Het KCL van het CWZ neemt in deze functies een belangrijke plaats in en is één van de vier forensische laboratoria in Nederland. Het onderzoek gebeurt op kernhoudende cellen in bloed(leucocyten), speeksel of wangslijmvlies, spermacellen, haarwortelcellen etc. DNA verwantschapstesten maken gebruik van zowel autosomale en als geslachtchromosomale kenmerken X (X12STR) en Y (Y11 STR). In Nederland heeft 1 op de 1000 vrouwen 3 X chromosomen, waar we dus in de praktijk soms tegen aan lopen. De relaties correleren als volgt: 1-eiige tweeling 100%, 2-eiige tweeling, broer, zus, ouder, kind 50 %, oom/tante, opa/oma 25%, neef/nicht 12,5 %. Typeren van de moeder is belangrijk, omdat dan deze eigenschappen in de test met een vader-kind vraagstelling kunnen worden geëlimineerd. Vaders (XpYp) geven hun Y chromosoom integraal door aan hun zoons en hun X-chromosoom aan hun dochters, Moeders (XmXm) geven een X door aan hun dochters (XpXm), maar ook aan hun zoons (XmYp). Bloedgroep bepalingen bij de ouders en nakomelingen kan soms ook behulpzaam zijn, omdat een vader met bloedgroep B (BB of B0) en moeder met bloedgroep A (AA of A0) wel kinderen met bloedgroep AB of 0 kunnen hebben, maar een vader met bloedgroep B en moeder met bloedgroep 0 (00) nooit kinderen met bloedgroep AB of A kunnen hebben. Behandeld wordt een vraag van een 60-jarige klant, die wilde weten of hij dezelfde vader en/of moe-der had als zijn nichten, waarvan de moeder een zus was van zijn (pleeg-) moeder. Aangetoond kon worden, dat de klant alle X-kenmerken had van zijn nichten. Het was dus zeer waarschijnlijk, dat zij dezelfde moeder hadden. De ouders van klant en de nichten waren overleden, maar vergelijking met de broer van de vader van de nichten gaf geen match, dus klant had niet dezelfde vader. Y-testen van twee broers van zijn vader gaven geen match met hem, dus ook zijn veronderstelde vader was zijn echte vader niet. Veel signalen uit de familie wezen in de richting van incest. Inderdaad had de klant veel homozygote kenmerken 8 VD 15. Dit is een sterke aanwijzing voor incest. De stelling is nu, dat een van de broers van zijn moeder incest met zijn zuster heeft gepleegd en dat de klant als kind werd ondergebracht in het gezin van een zuster van de moeder. Echter leverde Y onderzoek van 2 neven van moeder ( zoons van 2 broers ) geen match met de klant op. Familieleden, die het zouden kunnen weten zwijgen als het graf. Verder onderzoek van andere broers is nog mogelijk, maar het grote aantal onderzoeken hiervoor nodig, is kostbaar ( € 100 per test) en moet door klant zelf worden betaald. De inleider meldt nog, dat in samenwerking met het CWZ de FIOM data bank is opgezet, een natio-nale donor en donorkinderen DNA-databank die de gegevens opslaat van kinderen , die voor 2004 zijn verwekt via anonieme semendonatie. Zo is er een donor, die 30 jaar lang gedoneerd heeft op drie locaties. De databank bevat inmiddels bijna 600 inschrijvingen met wereldwijd de meeste matches. 40 kinderen hebben inmiddels hun donor gevonden; het aantal broers en zusters is tot nu toe > 60. Inmiddels is donatie aan regels gebonden en is het aantal donoren sterk terug gelopen door de opheffing van anonimiteit. Recent was er een donor dragerschap voor taaislijm ziekte waarbij duidelijk werd dat het veelvuldig gebruik van 1 donor ook medische risico’s met zich meebrengt.
Van wie ben ik er één?
Dr. J.W.J. van der Stappen ,
klinisch chemicus CWZ.
dd. 7 Februari 2014.
DNA typering is onontbeerlijk voor het opsporen van familierelaties en kan een belangrijke rol spelen in de forensische diensten. Het KCL van het CWZ neemt in deze functies een belangrijke plaats in en is één van de vier forensische laboratoria in Nederland. Het onderzoek gebeurt op kernhoudende cellen in bloed(leucocyten), speeksel of wangslijmvlies, spermacellen, haarwortelcellen etc. DNA verwantschapstesten maken gebruik van zowel autosomale en als geslachtchromosomale kenmerken X (X12STR) en Y (Y11 STR). In Nederland heeft 1 op de 1000 vrouwen 3 X chromosomen, waar we dus in de praktijk soms tegen aan lopen. De relaties correleren als volgt: 1-eiige tweeling 100%, 2-eiige tweeling, broer, zus, ouder, kind 50 %, oom/tante, opa/oma 25%, neef/nicht 12,5 %. Typeren van de moeder is belangrijk, omdat dan deze eigenschappen in de test met een vader-kind vraagstelling kunnen worden geëlimineerd. Vaders (XpYp) geven hun Y chromosoom integraal door aan hun zoons en hun X-chromosoom aan hun dochters, Moeders (XmXm) geven een X door aan hun dochters (XpXm), maar ook aan hun zoons (XmYp). Bloedgroep bepalingen bij de ouders en nakomelingen kan soms ook behulpzaam zijn, omdat een vader met bloedgroep B (BB of B0) en moeder met bloedgroep A (AA of A0) wel kinderen met bloedgroep AB of 0 kunnen hebben, maar een vader met bloedgroep B en moeder met bloedgroep 0 (00) nooit kinderen met bloedgroep AB of A kunnen hebben. Behandeld wordt een vraag van een 60-jarige klant, die wilde weten of hij dezelfde vader en/of moe-der had als zijn nichten, waarvan de moeder een zus was van zijn (pleeg-) moeder. Aangetoond kon worden, dat de klant alle X-kenmerken had van zijn nichten. Het was dus zeer waarschijnlijk, dat zij dezelfde moeder hadden. De ouders van klant en de nichten waren overleden, maar vergelijking met de broer van de vader van de nichten gaf geen match, dus klant had niet dezelfde vader. Y-testen van twee broers van zijn vader gaven geen match met hem, dus ook zijn veronderstelde vader was zijn echte vader niet. Veel signalen uit de familie wezen in de richting van incest. Inderdaad had de klant veel homozygote kenmerken 8 VD 15. Dit is een sterke aanwijzing voor incest. De stelling is nu, dat een van de broers van zijn moeder incest met zijn zuster heeft gepleegd en dat de klant als kind werd ondergebracht in het gezin van een zuster van de moeder. Echter leverde Y onderzoek van 2 neven van moeder ( zoons van 2 broers ) geen match met de klant op. Familieleden, die het zouden kunnen weten zwijgen als het graf. Verder onderzoek van andere broers is nog mogelijk, maar het grote aantal onderzoeken hiervoor nodig, is kostbaar ( € 100 per test) en moet door klant zelf worden betaald. De inleider meldt nog, dat in samenwerking met het CWZ de FIOM data bank is opgezet, een natio-nale donor en donorkinderen DNA-databank die de gegevens opslaat van kinderen , die voor 2004 zijn verwekt via anonieme semendonatie. Zo is er een donor, die 30 jaar lang gedoneerd heeft op drie locaties. De databank bevat inmiddels bijna 600 inschrijvingen met wereldwijd de meeste matches. 40 kinderen hebben inmiddels hun donor gevonden; het aantal broers en zusters is tot nu toe > 60. Inmiddels is donatie aan regels gebonden en is het aantal donoren sterk terug gelopen door de opheffing van anonimiteit. Recent was er een donor dragerschap voor taaislijm ziekte waarbij duidelijk werd dat het veelvuldig gebruik van 1 donor ook medische risico’s met zich meebrengt.
vrijdag 7 februari 2014
donderdag 30 januari 2014
Nijmegen, 26 -01-- 2014
Geachte collegae, Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst opWoensdag 5 februari om 16.30 uur Hostellerie Rozenhof,
Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359Onderwerp:
Van wie ben ik er één? (een spannende detective met een speurtocht van 2 jaar! Aangevuld met actuele informatie over een DNAdata base van donor kinderen)
Spreker: Dr. J.W.J. van der Stappen
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Nijmegen, 26 -01-- 2014
Geachte collegae,
Hierbij nodigen wij u uit voor de maandelijkse bijeenkomst op
Woensdag 5 februari om 16.30 uur
Hostellerie Rozenhof, Nijmeegsebaan 114, tel. 3230359
Onderwerp: Van wie ben ik er één?
(een spannende detective met een speurtocht van 2 jaar! Aangevuld met actuele informatie over een DNAdata base van donor kinderen)
Spreker: Dr. J.W.J. van der Stappen
Ivm. reservering van zitplaatsen gaarne een berichtje of u komt en of u deelneemt aan de maaltijd (keuze uit her menu) na afloop.
Met vriendelijke groet, namens het bestuur
Roy Go
maandag 18 november 2013
Abstract PORTRETTEN, PRENTEN EN FRONTPAGINA’S
VAN ACADEMISCHE MEDICI IN D 17DE EEUW. dr. H.W.O. Deleu. 9 November
2013
Wij
belichten het verschijnen en de betekenis van de academische medische confrère in de zeventiende eeuw
aan de hand van zijn presentatie in de kunst van die tijd. In een bijna sacrale
sfeer van de aula of Senaatskamer wordt een protocollair gedirigeerd academisch
steekspel (of spektakel?) opgevoerd tussen oudmodisch ‘gekostumeerde’
hooggeleerde opponenten in toga en baret en de promovendus. Deze laatste voegt
met zijn proeve van academische bekwaamheid enerzijds grandeur toe aan de hoogstaande kwaliteit van het academische
bestel. Anderzijds beoogt het feestelijk spel ook een garantie te geven voor
het behoud van dit niveau in de toekomst. De grotendeels toch ceremoniële
gebeurtenis verbindt een intellectueel verleden met de toekomst: er is een
samenspel van jonge én rijpe intelligentsia in discussie over een
wetenschappelijk item.
De
universiteit, een universitas magistrorum
et scholarium (gemeenschap van meesters en scholieren die na de Latijnse
school of het Athenaeum Illustre via verdere studie een hogere graad halen),
creëert een in de beeldkunst zichtbare noblesse
de robe met aristocratisch elitaire gedragingen en leefwijze.
Bij
een wandeling langs Senaatskamers van Nederlandse universiteiten valt dadelijk
op dat de medische magistri in de
zeventiende eeuw veruit in de minderheid zijn. Een telling zou wellicht
aantonen dat theologen, rechtsgeleerden, letterkundigen en filosofen, alsmede
wis- en natuurkundigen in groter aantal dan medici figureren op de muren. De
impact van hun medische kennis in het sociale en economische milieu van de
zeventiende eeuw is uiteraard vele malen kleiner dan de inbreng van eerstgenoemde groepen
academici.
Algemeen
valt bij de studie van de officiële
portretten van academische medici de
grote eenvormigheid van compositie op. Men kan zelfs spreken van monotonie. Er
zijn slechts enkele uitzonderingen met een levendige en fantasievolle
portrettering.
Hoewel het aantal onderzochte
officiële portretten gering is, bestaat toch
de neiging om een rechts aanziend portret als de meest voorkomende optie te duiden bij een Senaatskamerportret
waarbij de geleerde een zekere distinctie,
distantie en autoriteit wil uitdrukken. Bij meer ‘gemoedelijke’
portretten uit de privé sfeer is een links aanzien eerder de regel. De studie
toont bij twintig personen geen enkel relevant attribuut. Zeer zeldzaam vindt
men op het Senaatskamerportret een wapenschild of een ander genealogisch
embleem weergegeven.
Een medisch instrument vindt
men – afgezien van de anatomische lessen
– bij Solingen en bij Bidloo. Deze laatste is de enige met een mes dat hij
geopend in de richting van de beschouwer toont!
Het klassieke doceergebaar
voor een magister treft men slechts
vier maal aan bij: bij Schuyl, Dekkers, Tulp en bij Solingen, die geen
hoogleraar was.
Tenslotte valt de onderlinge uitwisselbaarheid op van
schilderijen van één persoon. Zo is de pose voor het officiële portret van van
Diemerbroeck (Univ. Utrecht) ook
gebruikt voor twee prenten van hem.
Enkele portretten uit Leiden
en uit Amsterdam vallen op door een harmonische compositie en kleur-stelling,
alsmede door de inbreng van inventieve details. De schilders uit het Westen van
het land die deze portretten schilderden in die periode, behoren duidelijk tot
een hoger niveau dan elders in de Republiek. Daar was een monotone
beeldcompositie de regel..
In Franeker en Harderwijk
lagen de prioriteiten bij het portretteren van theologen, juristen en filosofen
hoger dan voor dokters en lijkensnijders.
Het hoogleraarportret, bedoeld voor de
Senaatskamer is een eerder afstandelijke zakelijke transactie geweest tussen de
curatoren van een universiteit en de schilder. Het feit dat in 1735-37 én in
1964 als het ware een achterstand is ingelopen door ofwel portretten te
verzamelen via de erven van een hoogleraar, of door vanuit beschikbare prenten
alsnog een schilderij te laten maken, onderstreept dit nog. Men wilde vooral
voor latere generaties een tastbare beeltenis van de vroegere
geleerden hebben. Deze clarissimi
viri strekken de universiteit tot eer en fungeren ter zelfdertijd als
educatieve relieken voor een jongere generatie geleerden en aankomende
wetenschappers die de Senaatkamer
betreden:
De oude garde als een lichtend voorbeeld
voor de toekomst! De grafische prent
en de titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappe-lijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in
wetenschappelijke arbeid via een prent of een frontispice. Beide kunstvormen zijn met elkaar verweven via de
boekdrukkunst die om commerciële reden of uit esthetisch oogpunt de geleerde
samen met zijn geestesarbeid in de zeventiende eeuwse werkkamer, huiskamer of
salon brengt.
De grafische prent en de
titelpagina van wetenschappelijk werk zijn door hun technisch eenvoudige
reproduceerbaarheid hét middel bij uitstek tot internationalisering en
verspreiding van zowel de beeltenis als het wetenschappelijke gedachtegoed van
een geleerde. Deze als het ware ‘mobiele kunst’, losgemaakt van de muren van
Senaatskamers en meer publieke ruimten zoals bibliotheken en dergelijke,
bevorderen quasi ongemerkt ook het vertrouwen dat men induceert in wetenschappelijke
arbeid via een prent of een frontispice.
De grafische portretprent
staat nog dicht bij het embleem vanuit de renaissance.
Bij
voorpagina-prenten van medici wordt de centrale afbeelding vaak geschraagd door
anato-mische of botanische attributen.
Soms heeft men te maken met omvangrijke,
kunstig in elkaar gevlochten afbeeldingen met een diepere symbolische,
mythologische of Bijbelse en beroepsgebonden betekenis. Maniëristisch
uitgewerkte allegorieën verraden een voortbouwen op de bekende portretcycli uit
de Renaissance. De attributen die besproken zijn, verwijzen veelal naar het
medisch-anatomisch of botanische vak: een mes of andere anatomische
instrumenten, een meetapparaat, een skelet of delen ervan, een spierman, een
klisteerspuit, allerlei bloemen, planten en zaden alsmede de hoorn des
overvloeds. In veel titelpagina’s ziet men allegorische, mythologische
verwijzingen, vaak toch naar de klassieke medische wereld: Apollo als god van
de geneeskunde, Asklepios en dochter Hygieia (gezondheid), Dioscurides en
lauwerkransen en lauriertakken. Deze verwijzingen naar de klassieke fundamenten
van de geneeskunde beogen bij de lezer de soliditeit en het waarheidsgehalte
van de teksten te onderstrepen. De aanwezigheid van een menselijk lijk op de
titelpagina onderstreept mijns inziens ook een garantie aan de lezer dat de
inhoud gaat over menselijke anatomie. Renaissance.
Aan het eind van de zeventiende eeuw neigt de
persoonsverheerlijking op de prenten af te nemen, waarbij tevens het
overvloedige bijwerk iets minder
uitvoerig en eenvoudiger wordt.
Aangegeven
wordt tenslotte, dat er nog tot ver in de zeventiende eeuw een soms hardnekkige
strijd bestond tussen die geleerden die Hippocrates en Galenus trouw bleven en
zij die progressieve nieuwe wegen wilden bewandelen.
In de discussie wordt
duidelijk dat de geneeskundige zorg voor de patiënt voornamelijk werd
uitge-voerd door de barbiers. De medische magistri beperkten zich tot
wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en een enkel consult.
Dr. Herman O.W. Deleu
vrijdag 25 oktober 2013
De Hollandse Hippocrates
Abstract De Hollandse Hippocrates,
dr. F. Werner, 1 Oktober 2014
Pieter van Foreest 1521-1597.
Zijn grafschrift wordt in 1645 in de Kronyck van Alkmaar als volgt vermeld: "Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het".
1521 geboren in Alkmaar, volgde hij in 1529 de Latijnse school.
1536-1539 studie medicijnen in Leuven.
1540-1543 studie en praktijk in Bologna.
1543 Promotie tot doctor medicinae op een discussie over klassieke geschriften van Galenus en Hippocrates.
1544-1546 verzamelen van kruiden in Rome, Parijs en en praktijk in Pithiviers.
1546-1557 Praktijk in Alkmaar.
1557-1595 Stadsgeneesheer in Delft, waar hij de pestepidemie bestreed. In de epidemie overleden 6500 van de 25.000 inwoners. De toenmalige geneeskunde zag ziekte als een toestand, die niet overeenstemt met de natuur. De menging van de levensvloeistoffen bloed, gal, water en slijm bepaalt het temperament. Behandeling berust op het tegengaan van onevenwichtigheid van kwaliteiten en humoren. Er was dus geen standaardbehandeling. Beoordeeld moesten worden het huidige en het natuurlijke temperament en de huidige en vroegere levenswijzen. Altijd moest een patiënt in diens eigen omgeving worden beoordeeld. Eerst moesten leefregels, daarna medicatie en daarna pas eventueel chirurgie worden geadviseerd. Hij publiceerde: 1300 ziektegeschiedenissen in 42 boeken, na zijn dood in 1609 gebundeld en uitgegeven als Opera Omnia. Ruim twee eeuwen behoorde dit werk, ook volgens Boerhave in 1729, tot de canon van de medische literatuur. Het bevatte ook 290 literatuurverwijzingen, een voor die tijd een enorm aantal Taak van de stadsgeneesheer: - Behandeling van zieken met onvoldoende middelen. - Adviseren van de overheid door oa. toezicht op apotheken, opleiding van chirurgijnen, toezicht op het waterpeil van de grachten. - contrôle op onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. - voeren van de particuliere praktijk. Contacten met de Prins van Oranje:
1574 Eerste consult in Rotterdam,
10/7/1584 Met Cornelis Buzennius: Sectie en balseming van het stoffelijk overschot . Hij was geen lijfarts van de prins, omdat hij dan zijn functie als stadsgeneesheer van Delft moest opgeven.
8-2-1575 Opening van de Leidse Universiteit waar hij benoemd werd tot doctor en professor in de medicijnen.
1595 Terug naar Alkmaar. Vrouw en 4 kinderen waren inmiddels overleden. Hij werd geroemd als arts in de traditei van Hippocrates: humaan, zorgvuldig en bescheiden.
dr. F. Werner, 1 Oktober 2014
Pieter van Foreest 1521-1597.
Zijn grafschrift wordt in 1645 in de Kronyck van Alkmaar als volgt vermeld: "Als er ooit een Hollandse Hippocrates is geweest, dan was hij het".
1521 geboren in Alkmaar, volgde hij in 1529 de Latijnse school.
1536-1539 studie medicijnen in Leuven.
1540-1543 studie en praktijk in Bologna.
1543 Promotie tot doctor medicinae op een discussie over klassieke geschriften van Galenus en Hippocrates.
1544-1546 verzamelen van kruiden in Rome, Parijs en en praktijk in Pithiviers.
1546-1557 Praktijk in Alkmaar.
1557-1595 Stadsgeneesheer in Delft, waar hij de pestepidemie bestreed. In de epidemie overleden 6500 van de 25.000 inwoners. De toenmalige geneeskunde zag ziekte als een toestand, die niet overeenstemt met de natuur. De menging van de levensvloeistoffen bloed, gal, water en slijm bepaalt het temperament. Behandeling berust op het tegengaan van onevenwichtigheid van kwaliteiten en humoren. Er was dus geen standaardbehandeling. Beoordeeld moesten worden het huidige en het natuurlijke temperament en de huidige en vroegere levenswijzen. Altijd moest een patiënt in diens eigen omgeving worden beoordeeld. Eerst moesten leefregels, daarna medicatie en daarna pas eventueel chirurgie worden geadviseerd. Hij publiceerde: 1300 ziektegeschiedenissen in 42 boeken, na zijn dood in 1609 gebundeld en uitgegeven als Opera Omnia. Ruim twee eeuwen behoorde dit werk, ook volgens Boerhave in 1729, tot de canon van de medische literatuur. Het bevatte ook 290 literatuurverwijzingen, een voor die tijd een enorm aantal Taak van de stadsgeneesheer: - Behandeling van zieken met onvoldoende middelen. - Adviseren van de overheid door oa. toezicht op apotheken, opleiding van chirurgijnen, toezicht op het waterpeil van de grachten. - contrôle op onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. - voeren van de particuliere praktijk. Contacten met de Prins van Oranje:
1574 Eerste consult in Rotterdam,
10/7/1584 Met Cornelis Buzennius: Sectie en balseming van het stoffelijk overschot . Hij was geen lijfarts van de prins, omdat hij dan zijn functie als stadsgeneesheer van Delft moest opgeven.
8-2-1575 Opening van de Leidse Universiteit waar hij benoemd werd tot doctor en professor in de medicijnen.
1595 Terug naar Alkmaar. Vrouw en 4 kinderen waren inmiddels overleden. Hij werd geroemd als arts in de traditei van Hippocrates: humaan, zorgvuldig en bescheiden.
https://docs.google.com/viewer?attid=0.1&pid=gmail&thid=141ef7074e98466e&url=https%3A%2F%2Fmail.google.com%2Fmail%2Fu%2F0%2F%3Fui%3D2%26ik%3D1739f76adc%26view%3Datt%26th%3D141ef7074e98466e%26attid%3D0.1%26disp%3Dsafe%26zw&docid=aab7d1dea833cd28ae9b1544a9918665%7Cb3ab78e79ea31bbb9c727d33070c87c0&a=bi&pagenumber=1&w=800
Abonneren op:
Posts (Atom)















